Stoet van bemiddelaars stuit in Ivoorkust op muur van onwil

Westerse en Afrikaanse bemiddelaars proberen al drie jaar vrede te brengen in Ivoorkust. Maar Ivoriaanse kemphanen hebben teveel belang bij voortzetting van het conflict.

Een van de rebellenleiders denkt er met nostalgie aan terug. Hoe hij door de toenmalige president van Togo, Gnassingbé Eyadema, onthaald werd met champagne. Hoe hij op voet van gelijkheid behandeld werd en een sjieke fauteuil toegeschoven kreeg. Toen waren vredesonderhandelingen nog gezellig. De oude reus Eyadema had zich eind 2002 opgeworpen als bemiddelaar tussen de rebellen van Ivoorkust en de man die ze wilden verjagen, president Laurent Gbagbo. Maar hij kon geen doorbraak forceren. Het voormalige moederland Frankrijk moest eraan te pas te komen om de vijanden te dwingen tot een vredesakkoord.

Het verdrag van Linas-Marcoussis, een voorstad van Parijs, werd gesloten in januari 2003. Sindsdien hebben talloze diplomaten hun tanden stukgebeten op het slepende conflict. De laatste bemiddelaar die de onverzettelijke Ivorianen tot rede probeert te brengen, is de Nigeriaanse president Olusegun Obasanjo in zijn functie van voorzitter van de Afrikaanse Unie. Woensdagavond bracht hij een bliksembezoek aan Gbagbo om hem over te halen een einde te maken aan gewelddadige protesten tegen de VN-vredesmissie in Ivoorkust.

Een stap vooruit, twee stappen achteruit. Het vredesproces in Ivoorkust drijft menigeen tot wanhoop. Eind 2002 vielen dissidente onderofficieren van het regeringsleger het noorden binnen. Frankrijk, dat een legerbasis in Abidjan heeft, greep in om de opmars van de rebellen te stoppen. Ook de organisatie van West-Afrikaanse landen Ecowas schoot te hulp. Een burgeroorlog in Ivoorkust zou een economisch drama voor de regio betekenen.

Het Marcoussis-akkoord bepaalde dat Gbagbo de macht moest delen met de rebellen. Zijn Bété-stamgenoten vonden dat onacceptabel. Jarenlang had de Baoulé-stam de dienst uitgemaakt, nu waren de Bété aan de beurt. Een minderheid die zich ook nog eens onder de voet gelopen voelde door de miljoenen immigranten die van Ivoorkust, 's werelds grootste cacaoproducent hadden gemaakt.

De bemoeienis van de Franse president Chirac keerde zich al snel tegen Frankrijk. Via anti-Franse demonstraties liet Gbagbo weten dat hij niet van plan was zich van het verdrag iets aan te trekken. Ook de rebellen maakten geen haast met ontwapening. Zij verdienden grof geld aan in- en uitvoerheffingen en wilden hun winst niet zomaar opgeven. De eenheidsregering bleek krachteloos. De vredesmacht van de Verenigde Naties bestendigde de verdeling van het land.

Toen de crisis in Ivoorkust weer eens oplaaide, schoot de Ghanese president John Kufuor te hulp. Ook hij stuitte op de onwil van de Ivoriaanse regering en rebellen. Ivorianen ontlenen een superioriteitsgevoel jegens andere Afrikaanse landen aan hun relatieve rijkdom. Zij laten zich de wet niet voorschrijven door minder bedeelde buren.

Daarna was het de beurt aan de Zuid-Afrikaanse president Thabo Mbeki om namens de Afrikaanse Unie het vredesproces vlot te trekken. Mbeki kreeg de Ivorianen weer rond de onderhandelingstafel. Hij wist president Gbagbo zelfs tot politieke hervormingen te bewegen. Maar het lukte hem hem niet de rebellen tot ontwapening te bewegen. Intussen werd duidelijk dat zowel Gbagbo als de rebellen geen trek hadden in voor oktober geplande verkiezingen. De huidige impasse is voor beide partijen lucratief.

Tot het uiterste getergd schoof Mbeki de hete brei door naar de Nigeriaanse president Obasanjo. De kans is groot dat Obasanjo straks net als zijn voorgangers van partijdigheid zal worden beschuldigd. Westerse en Afrikaanse bemiddelaars hebben weinig mogelijkheden om de twee onwillige Ivoriaanse kampen tot een vergelijk te dwingen. Voorlopig doen ze wat ze de afgelopen drie jaar gedaan hebben: crisissituaties sussen om te voorkomen dat alsnog een burgeroorlog uitbreekt.

    • Pauline Bax