Rrroepie, rrroepie!

Een cd is handiger als drager van vogelgeluiden dan de ouderwetse cassette. Niet alleen dat eindeloze spoelen ontmoedigde, maar vooral het niet weten waar de ene vogelsoort de vorige afwisselde en welke soort dat dan was. Op de cd Wat zingt daar? kun je gewoon naar 76 zappen als je de staartmees wilt horen.

Wat zingt daar? is niet de eerste vogel-cd. Het bijbehorende boek, met dezelfde nostalgisch klinkende titel, is wel één van de eerste zang-determinatieboeken, gericht op het achterhalen van gehoorde vogels. Voor je bij de soortbeschrijvingen komt krijg je een determinatiesleutel gepresenteerd. Via de hoofdsleutels “roep', “strofenzang' en “continuzang' kun je een vogelgeluid verder definiëren tot je bij de soort belandt. Het gebruik van sleutels vereist oefening en kan tot verwarring leiden. Neem nou de winterkoning, één van 's lands luidruchtigste vogels, die hartje winter zijn lange ratels en trillers laat horen. Grote kans dat iemand dat geluid eens wil opzoeken. Hoofdsleutels “roep' (kort, zonder veel variatie) en “strofen' (pauzes, herhaling) vallen af. Blijft over sleutel 3: “continuzang' en je kunt dan kiezen uit monotone ratels of trillers, semi-continuzang of gevarieerde continuzang. Gevarieerde ratels of trillers staan er niet bij. Ik check ze alle drie: geen verwijst naar de winterkoning, die door de auteurs achter “strofen' - “motiefzang' verstopt is.

De zanglijster met zijn herhaalde strofen laat zich wél meteen opsnorren. En lukt het niet met die sleutel, dan met de honderd soortbeschrijvingen. Elke soort krijgt een pagina. Daar staan bijvoorbeeld transcripties van roep en zang: in letters uitgedrukt wat je meent te horen. De vink zingt “tji tji tji tji tji tji tjutjutjutjutjutju bis kwie'. Kwie is vet wegens de klemtoon. Bij de transcriptie staan grafische geluidsweergaven: een oscillogram geeft het volume aan, een spectrogram de toonhoogte. De auteurs gaan in op de geluiden, de plek waar de soort zingt, het leefgebied en gelijkluidende soorten. Handig zijn de tijdbalkjes met zangintensiteit gedurende het jaar en de dag. De roodborst zingt vooral vlak voor zonsopgang, de pimpelmees vlak erna.

De indeling van de soorten is ondoorgrondelijk. Van de gebruikelijke indeling naar classificatie is afgeweken. Vogels uit dezelfde zoeksleutel (“roepzang') staan vaak bij elkaar, maar niet altijd. De witte en gele kwikstaart volgen elkaar op, maar diverse duiven en spechten scheiden kuif- en pimpelmees. Er staan alleen Nederlandse en Vlaamse broedvogels in, maar lang niet alle. Vooral de algemeenste, enkele zeldzaamheden uitgezonderd. Bijna alle zangvogels doen mee en verder alleen vogels die vooral aan hun geluid te herkennen zijn. “Daarmee vielen alle watervogels, steltlopers en roofvogels af', staat in de inleiding. Terwijl toch maar weinig vogels zo hoor- en tegelijk onzichtbaar zijn als waterral en porseleinhoen, watervogels pur sang. Wie in de schemer een angstaanjagende schreeuw hoort, zoekt in het boek vergeefs de geruststellende geluidsbron: blauwe reiger. Ook het karakteristieke gefluit van smienten (eenden) had er in gemoeten, én het getrompetter van nachtelijk overvliegende kraanvogels.

Dick de Vos & Luc de Meersman: Wat zingt daar? KNNV Uitgeverij, 176 blz. euro 24,95, inclusief cd.

    • Koos Dijksterhuis