Oneerlijke kanten hypotheekrenteaftrek

Op het H-woord rustte lange tijd een politiek taboe. Inmiddels stelt - behalve het kabinet - zowat iedereen de hypotheekrenteaftrek ter discussie. Er doemt een nieuw taboe op: niemand durft zelfs maar te suggereren dat zo'n ingreep de huizenbezitters geld gaat kosten. Maar in sommige gevallen zou dat best redelijk zijn. De rekening dreigt nu te veel op het bordje te komen van de jongeren die straks hun eerste huis kopen.

De huizenprijzen stijgen dit jaar met 6 procent, zo voorziet makelaarsorganisatie NVM. Zij noemt ook een reden voor de kooplust. De consument wil een beperking van de hypotheekrenteaftrek vóór zijn. Hij verwacht daarnaast dat iedereen die tijdig een huis op zijn naam heeft staan, nog tot in lengte van jaren de oude voordelen blijft houden. Snel een huis kopen is dus het devies. Want wie te laat is, wordt aan drie kanten gepakt. In de eerste plaats betaalt hij de opgedreven prijs, de overheid zal immers alles uit de kast halen om een instorting van de huizenprijzen te voorkomen. Vervolgens moeten de toekomstige kopers het zonder hypotheekrenteaftrek doen. En uiteindelijk betalen ze ook nog eens twintig à dertig jaar mee aan de overgangsregeling voor de huidige huiseigenaren. Kortom de huizenkoper van straks is een van de financiers van de doorlopende fiscale voordelen van degenen die al profiteerden van de prijsverhoging van hun woningen. Dat is zeker wrang als de huizenprijzen op dat moment op hun hoogste niveau liggen. Vooral bij de jongeren zal deze onrechtvaardigheid hard aankomen. Hun belang blijft in de lopende discussie over de hypotheekrenteaftrek ten onrechte onderbelicht. Het zijn de huizenbezitters van nu, niet die van de toekomst die de dienst uitmaken.

Omdat veel huiseigenaren zich hebben volgeladen met tophypotheken, komen ze in financiële problemen bij de eerste de beste tegenvaller. Dat kan een dalende huizenprijs zijn, een stijgende rentevoet of een beperking van de hypotheekrenteaftrek. Als hun risicovolle gedrag zo voor de val komt, trekken ze de economie waarschijnlijk mee en zorgen ze voor veel sociale onrust. Daardoor houdt deze groep de overheid in gijzeling. Daarom wordt deze groep met fluwelen handschoenen aangepakt. De rekening daarvoor dreigt eenzijdig terecht te komen bij de generatie die over enkele jaren de huizenmarkt betreedt.

Die jongeren laten zich in deze discussie nog niet horen. Ze zijn volop bezig met hun opleiding of moeten zich waarmaken in hun baan en willen ook nog plezier hebben. Dan is de taaie Haagse politiek niet zo spannend. De discussie over de hypotheekrenteaftrek wordt gevoerd door politici, wetenschappers en fiscalisten die zich al heel stoer vinden als ze de fiscale subsidie schoorvoetend ter discussie durven te stellen en het vervolgens vanzelfsprekend vinden dat er een overgangsregeling van twintig à dertig jaar komt om de huidige huizenbezitters te ontzien. Zo vanzelfsprekend dat een fundamentele onderbouwing achterwege blijft. Men zou het vertrouwen in de politiek kunnen verliezen, zo hoor je vaak. Alsof daar veel verloren aan kan gaan. Welk recht hebben huizenbezitters op garanties terwijl jongeren, werknemers en arbeidsongeschikten te horen krijgen dat ze in een veranderende maatschappij maar met onzekerheid moeten leren leven. We moeten de gangbare risico's van het bestaan incalculeren en daar zelf een financiële voorziening voor treffen. Dat is bijvoorbeeld de gedachte achter de levensloopregeling. Een van de gangbare risico's is dat subsidieregelingen ooit ophouden. Soms gebeurt dat zelfs van de ene dag op de andere zoals met de investeringssubsidie WIR of de PC-privéregeling. Temidden van al die onzekerheden des levens staat kennelijk één zekerheid als een huis: het doorlopende voordeel van de hypotheekrenteaftrek.

Met het bedrijfsleven gaat de regering heel wat minder behoedzaam om. Voor ondernemers bestaat min of meer een pendant van de hypotheekrenteaftrek: de jaarlijkse afschrijving op de bedrijfspanden. Dat is ook een subsidie op gebouwen, zo liet staatssecretaris Wijn (Financiën) de Tweede Kamer onlangs weten. Fiscaal-theoretisch is dat overigens een hachelijke stelling maar het is wel de kabinetsvisie. Bedrijven kunnen jaarlijks op hun onroerend goed afschrijven, dus een fiscale verliespost opvoeren. Die afschrijvingen lopen door, zelfs als een pand onderhand tien keer zo veel waard is als de fiscale boekwaarde. Joop Wijn ziet geen reden waarom de schatkist in die situatie nog langer via een subsidie de portemonnee van de eigenaar moet spekken. Als de staatssecretaris dat niet nodig vindt aan de ondernemerskant, waarom zou die redenering dan geen opgeld doen aan de particuliere kant? Ook daar hebben veel onroerendgoedeigenaren volop geprofiteerd van een forse stijging van de huizenprijzen terwijl ze tegelijkertijd fiscaal werden gepamperd. Dan zou ook van hen kunnen worden gevraagd voorshands met de behaalde winst genoegen te nemen en geen moord en brand te schreeuwen als de (toekomstige) voordelen worden begrensd.

Als de huidige generatie wat meer strategisch zou denken, zou dat tot een paradoxale uitkomst leiden. Ze doet er nog het beste aan snel de huidige hypotheekrenteaftrek af te schaffen en daar een ijzersterke dichtgemetselde overgangsregeling aan te koppelen. Hoe langer de verstorende renteaftrek voortbestaat, des te krachtiger wordt de oppositie van de jongeren die de rekening van de overgangsregeling moeten betalen. Zo'n snelle beslissing over de hypotheekrenteaftrek is precies waar de Nederlandse banken al een tijdje op aandringen. De horizon van banken is namelijk langer dan die van menig politicus of kiezer. De banken ontdekten de jongeren al als hun toekomstige klanten. Dan is het wel zo prettig als die ook een huis kunnen kopen, liefst met een hypotheek; aftrekbaar of niet.

    • Aertjan Grotenhuis