Mythische reus blijkt maffiabaas

Na de geslaagde maffiaroman De valstrik en de mislukte, huilebalkerige vertelling Septemberspiegel beproeft de Siciliaanse schrijver Giovanni Chiara nu met Glaucus het in Italië zo populaire genre van de historische roman. Tegelijkertijd recyclet hij thema's en motieven uit zijn vorige boeken: een eenzame en gedesillusioneerde hoofdpersoon in conflict met zijn omgeving, de moeizame verhouding van de hoofdpersoon met zijn (enige) kind, de op compassie berustende verhouding met een dier (in De valstrik een gewonde haas, in Septemberspiegel een katje en nu is er een zwerfhond). Hoe verschillend de context van de drie boeken ook is, telkens weer blijkt Chiara vooral belang te hechten aan de psychologische profilering van een personage dat weinig clement is behandeld door het leven.

Giovanni Chiara Foto Jerry Bauer Bauer, Jerry

Net als de vrouw in Septemberspiegel keert de hoofdpersoon van Chiara's nieuwe roman met lege handen en boordevol gemoed terug naar zijn geboortegrond. Na elf jaar bloedige en vergeefse strijd in Troje is hij van een held een anti-held geworden: Glaucus, een prins van het volk der Lyciërs, Aziaten uit het verre zuiden. Ooit bezat hij “de grenzeloze arrogantie van de kaste der krijgers' en was hij tot grote daden voorbestemd. Maar nu bezit deze van zijn leger beroofde legeraanvoerder, die op zesjarige leeftijd al een behendige zwaardvechter en ruiter was, alleen nog de flarden die zijn lichaam omhullen en de nachtmerries die zijn hoofd bevolken.

Na een barre tocht komt hij aan in het door aardbevingen geteisterde Xanto, om zich ook daar een vreemdeling te voelen. Bovendien blijkt hem nog meer te zijn ontvallen: zijn vader (de broer van de koningin), zijn vrouw (de dochter van de koningin) en de koningin zelf zijn gestorven. Alleen zijn dochter Hippolita, die hij amper kent, is er nog, en die zit niet bepaald op hem te wachten.

Op de troon zit Licus, zijn neef, tevens broer van zijn overleden vrouw - en ook die kan weinig vreugde opbrengen over Glaucus' terugkomst, bang als hij is zijn positie aan hem te moeten afstaan. Die vrees blijkt terecht wanneer de priester Pleokes en zijn opvolger Turna (ook al een neef van Glaucus) snode plannen beramen om Glaucus als de nieuwe heerser naar voren te schuiven. Wanneer die echter weigert om als hun marionet te fungeren, wordt er een geheim wapen in de strijd gegooid: een wrede reus, die geen genade kent met zijn slachtoffers, en al eerder een koning en twee prinsen heeft vermorzeld.

Die reus zorgt niet alleen voor de nodige suspense maar doet ook denken aan de praktijken van de maffia, zoals beschreven in Chiara's debuutroman. Tegenover slinkse manoeuvres, wreedheden en bedreigingen van een haast ongrijpbare macht plaatst Chiara een trots en koppig individu dat weigert zich te conformeren. Maar anders dan de gepensioneerde postkantoordirecteur uit De valstrik heeft Glaucus nog wel wat te verliezen, het laatste en enige dat hij bezit: zijn dochter. Hij wil haar tegen elke prijs beschermen en probeert tegelijk op zijn eigen onhandige manier haar voor zich te winnen. “Op een bepaalde leeftijd lijkt het leven een pad vol bloemen', zo vertelt hij haar. “Maar naarmate de tijd verstrijkt merk je dat er slangen tussen de bloemen zitten, je raakt op je hoede, tenslotte zie je de bloemen niet meer, omdat je alleen maar slangen ziet. Je wordt zuinig op jezelf, je hebt geen zin meer om iets met anderen te delen'.

Veel reliëf krijgt de karaktertekening van de zwijgzame en gesloten Glaucus echter niet. Chiara blinkt meer uit in de sfeertekening en de schildering van het decor. Hij blijkt een voorliefde te hebben voor modderige en in kou gedompelde landschappen en voor vliegen en wespen die bloedplassen of uitwerpselen belagen - vijandigheid suggererende motieven die eveneens in Septemberspiegel voorkwamen. Helaas wordt ook in Glaucus de vertelling soms topzwaar en zelfs potsierlijk door gezwollen taalgebruik. “Een sluier van stilte', “een zwaard' dat “dronken van bloed' is, de kou die “als een uitgehongerd dier bijt', meisjes die “oogstrelende, bedauwde vruchten' lijken - dat soort werk. Je zou kunnen zeggen dat dergelijke archaïsche formuleringen goed aansluiten bij de inhoud en de setting van de roman, maar gevreesd moet worden dat dit nu eenmaal bij Chiara hoort, want zijn vorige romans vertoonden ook die neiging tot bombast. Slechts nu en dan probeert hij zich te ontworstelen aan die wat ouderwets aandoende toon door middel van schetsmatige, opzettelijk haperende zinnetjes: “Ik zal nog van de honger sterven; ik; die was geboren om; en ik ben geweest, heb gehad.'

Niettemin heeft Chiara zich met deze roman over een man in gevecht met het noodlot en met zichzelf gerevancheerd voor Septemberspiegel. Dat maakt nieuwsgierig naar het milieu en het tijdperk waarin hij zijn volgende boek zal situeren.

Giovanni Chiara: Glaucus. Uit het Italiaans vertaald door Rob Gerritsen. Prometheus, 302 blz. euro 25,-

    • Peter Drehmanns