Lennon van heel dichtbij

John Lennon predikte de wereldvrede. Zonder landsgrenzen en religies zou er niets meer overblijven om voor te moorden of te sneuvelen, zong hij, en dan zouden we allemaal één zijn. En wij, zijn publiek, wilden dat maar al te graag geloven. We stonden er niet bij stil, dat Lennon ten tijde van “Imagine' niet eens in staat was tot enige vrede of harmonie in zijn privé-leven. Het vuile werk liet hij aan anderen over. Hij stuurde een assistent naar zijn eerste vrouw om haar te zeggen dat hij wilde scheiden, en liet haar door zijn nieuwe vrouw Yoko Ono opbellen met de mededeling dat hij voorlopig zijn kind niet kon zien.

“Ik weet dat Johns gedrag in die tijd voor veel mensen dapper, eerlijk en innovatief was', schrijft Cynthia Lennon ruim drie decennia later in haar boek John, “maar als moeder van zijn kleine, in de war geraakte zoontje kostte het me moeite dat ook zo te zien.'

Het is een van de weinige keren dat in haar memoires een voorzichtige vorm van cynisme doorklinkt. Dit is geen rancuneus relaas, geen postume trap na, maar een combinatie van biografie en autobiografie met een empathische ondertoon. Ze heeft veel redenen om kritisch over haar ex te schrijven, en die worden hier niet verbloemd, maar van wraakzucht of kwaadaardigheid is in John geen sprake. Ondanks alles is ze toch van die man blijven houden.

Echte onthullingen bevat haar verhaal niet, daarvoor zijn er al te veel boeken over John Lennon verschenen. Maar dichterbij dan Cynthia Lennon (geboren Powell) zijn er weinigen geweest. Uit de eerste hand roept ze een verdrietig beeld op van een man die voortdurend wegvluchtte voor alles wat hem pijn zou kunnen doen. Als kind had hij klappen opgelopen door het verlies van zijn vader die huis en haard had verlaten, en dat van zijn moeder die was doodgereden. Uit pure zelfbescherming zette hij alles op alles om te voorkomen dat hij nog meer kwetsuren opliep. Hij kon bijvoorbeeld in hysterisch lachen uitbarsten als er iemand uit zijn directe omgeving doodging. En hij toonde zich onverschillig voor de gevolgen die zijn verbeten vluchtgedrag voor anderen had. “Hij kon ontroerend over liefde zingen en tegelijk vaak diegenen bezeren die hem het meest na stonden', concludeert zijn eerste vrouw.

Afwijkend is wel haar versie van de rol die tante Mimi, de oudere zuster van zijn moeder, in het leven van John speelde. Terwijl deze tante vaak is geportretteerd als een liefhebbende surrogaat-moeder, het enige houvast dat de jonge Lennon had, is Cynthia's visie veel genuanceerder. Mimi zal heus wel goed zijn geweest voor haar neefje, maar ze was ook bits, bezitterig en egocentrisch. Vast en zeker is die interpretatie mede beïnvloed door het feit, dat de tante allerminst gecharmeerd reageerde op het vriendinnetje dat haar neef thuisbracht. Niets was goed genoeg voorJohn, en zeker Cynthia niet.

Haar boek ontleent zijn waarde vooral aan de hoofdstukken waarin wordt verteld hoe het puberende paartje uit Liverpool binnen één jaar (1963) werd overvallen door de wereldroem van de Beatles. Zo invoelbaar, van binnenuit beschreven, was dat verhaal niet eerder te lezen. En de latere breuk tussen Lennon en zijn eerste geliefde wordt er des te begrijpelijker door. Onder die omstandigheden moet het zo goed als onvermijdelijk zijn geweest, dat ze uit elkaar groeiden.

Pas in de allerlaatste alinea concludeert Cynthia, intussen voor de vierde keer getrouwd, dat haar liefde voor het in 1980 vermoorde pop-idool haar duur is komen te staan. Van spijt rept ze niet: ,,De waarheid is dat als ik als teenager had geweten wat me zou gebeuren als ik verliefd werd op John Lennon,ik me ter plekke had omgedraaid en was weggelopen.''

Cynthia Lennon: John. Crown Publishers, 308 blz. euro 30,88

    • Henk van Gelder