Leesluisteren is onvergeeflijk

Wie de stukken van Elmer Schönberger leest, wil meteen luisteren naar de muziek die hij beschrijft. Dat is een groot compliment, al dreig je daarmee recht tegen de bedoelingen van de auteur in te gaan.

Op de radio klinkt een vioolconcert van Bach en ik lees: “Voor sommige luisteraars heeft alle muziek de functie van landschap. Zij slaan er hun tent in op en gaan vervolgens een boek lezen.' Dat staat in Elmer Schönbergers onlangs verschenen essaybundel Het gebroken oor, een selectie uit de columns die hij tot voor kort wekelijks in Vrij Nederland schreef. Ik voel mij lichtelijk betrapt. Mijn luistergewoonten kunnen er bij Schönberger maar nauwelijks mee door. Verrassen kon mij dat, eenmaal op bladzijde 129 van Het gebroken oor aangekomen, al lang niet meer. De bundel opent met de tekst die Schönberger in december van het afgelopen jaar als Huizinga-lezing heeft uitgesproken en die in verkorte vorm in deze krant is afgedrukt. “Het Grote Luisteren' dat Schönberger daarin met hoofdletters en al verdedigt, verdraagt geen compromis. Het eist alle aandacht op omdat het niet wil wegzinken in de koestering van vertrouwde klanken. Het wil iets ánders horen dan het ooit gehoord heeft en schept daarmee als het ware de muziek. “Het Grote Luisteren' gaat het om niets minder dan het wonder dat muziek bestaat.

Mahlers Vijfde klonk op de achtergrond toen ik die beginselverklaring las en dat is misschien wel de slechtste begeleidingssymfonie in de ogen van een schrijver die ooit durfde spreken over het onmiskenbaar “vulgaire' in diens werk. Het zal Schönberger in Nederland niet in dank zijn afgenomen, maar in mijn eigen ervaring had hij het volkomen bij het rechte eind. En daarom maakte Mahler V, tegen het eind van Schönbergers lezing, in mijn cd-speler schielijk plaats voor Stravinsky's Agon, Schönbergers favoriet, zoals herhaaldelijk blijkt in deze bundel. En elke keer opnieuw zette ik Agon weer op.

Een groter verraad aan Schönbergers intenties had ik daarmee misschien niet kunnen plegen. Leesluisteren blijft voor de Grote en Ernstige Broer Schönberger een doodzonde, maar in het geval van Het gebroken oor heeft de auteur dat helemaal aan zichzelf te wijten. Zo beeldend, intrigerend en intelligent zijn zijn stukjes dat je de muziek die hij bespreekt direct wilt horen. En zo goed schrijft Schönberger, met zoveel verrassende wendingen, inventieve woordcombinaties en suggestieve naamwoorden, dat het lezen daardoor niet onderbroken wil worden. Leesluisteren is het onweerstaanbare resultaat van Het gebroken oor, en tegelijk zowel het meest ironische als het grootst denkbare compliment aan de schrijver ervan.

Agon, dat nieuw voor mij was, intrigeerde voldoende om ter veelvuldige herhaling naast de geluidsinstallatie te mogen blijven liggen, maar frappeerde me minder dan ooit de Sacre du printemps. Toch loopt de levensgeschiedenis van Schönberger en mij op dat vlak bijna parallel. “Eind jaren zestig werd ik door de bliksem getroffen,' schrijft Schönberger in het eerste stukje van de sectie die in het boek speciaal voor Stravinsky gereserveerd is. “Die bliksem heette Agon en hij werd gesmeten door Stravinsky. Lichteeuwen voelde ik mij opeens van Bruckner en Mahler verwijderd.'

Spaargeld

Op vrijwel hetzelfde moment hoorde ik voor het eerst de Sacre - nieuwsgierig geworden door de reputatie van het stuk als het beslissende aanvangsakkoord van de twintigste eeuw. De Amsterdamse muziekbibliotheek was vrijwel de enige plaats waar je onbekende muziek op aanvraag kon laten afdraaien. Na afloop ervan telde ik mijn spaargeld en reed linea recta naar de platenzaak waar ik de Sacre kocht onder Svetlanov, die voor mij canonisch werd. Omdat het cd-tijdperk vrijwel samenviel met de implosie van de Sovjet-Unie, kostte het mij jaren om die Melodia-opname digitaal terug te vinden. Toen ik hem onlangs vond op het obscure label Moscow Studio Archives, miste ik prompt de tik in het hobo-loopje waarmee het stuk aanvangt - net zoals Schönberger op zíjn oude vinyl-platen de ruis en tikken (“mijn tikken') blijkt te koesteren.

Toch verraadt onze beider liefde voor Stravinsky de kloof die ons tegelijkertijd scheidt. Agon eist ontegenzeglijk veel meer van het intelligente luisteren dan de dionysische aardsheid van de Sacre en daarin blijkt Schönberger trouw gebleven aan de strenge aanspraken van zijn Grote Luisteren. Hij mikt op het grotere, waaraan de luisteraar zich optrekt in plaats van zich onder te dompelen in een warm en eventueel woest klankenbad. Hij is een pleitbezorger van de verheffing in plaats van de vereffening en daarmee resoluut unzeitgemäss. Zo schaamteloos en bewogen pleit hij voor het elitaire oor dat hij in zijn Huizinga-lezing zelfs het snobisme tot zijn bondgenoot maakt.

En juist daarin vind ik hem weer terug. Want mijn gang naar de Muziekbibliotheek was niets anders dan de drang tot verkenning van het onbekende dat tegelijk zo veelbelovend was. Ik was zestien jaar - de leeftijd van het meest intense luisteren, volgens Schönberger - en als bergen rezen Cultuur en Wetenschap voor mij op om de mijne te worden. In het bedwingen ervan school het verlangen naar iets dat in alle opzichten hoger was. Het beloofde vergezichten die ik nog maar nauwelijks kon vermoeden maar waartoe ik wist voorbestemd te zijn. Ze zouden en hebben mij nooit kunnen teleurstellen.

Wie dat snobisme wil noemen, gaat zijn gang maar. Het luisteren wordt er - evenals het zien, het lezen en het weten - niet door geraakt, omdat het weet van een hoogte die het zonder minachting voor het lagere stellen kan. En zoveel toppen zijn nog altijd niet bedwongen of zelfs betreden, want dat verlangen gaat nooit meer helemaal over. Daarom wekt Schönberger met zijn ogenschijnlijk bijna terloops geschreven stukjes de eigenaardige ontroering die gewoonlijk gereserveerd blijft voor de grote leraren van rond je zestiende. Zij waren het die wegen openden en wezen, onnadrukkelijk maar duurzaam genoeg voor een heel leven.

Leunstoel

Heen-en-weer pendelend tussen leunstoel en geluidsinstallatie lees ik Het gebroken oor en luister naar Boulez' onverbiddelijke Répons. En inderdaad: in “sectie 7' klinkt de herinnering aan de Sacre door, zoals Schönberger beschrijft. En nog eens luister ik naar Répons, waarin zich langzaamaan een gevoel van “thuis' begint te nestelen, want in het toegankelijk maken van tijdgenoten is Schönberger onovertroffen.

Onbedwingbaar ben ik in het boek dan al bij Leo Smit aangeland, een tot voor kort vergeten Nederlandse componist die als jood in Sobibor stierf. Begin met diens Trio voor klarinet, altviool en piano, raadt Schönberger aan en gelukkig staat dat in de kast. Het loont de moeite, net als zijn Suite voor hobo en cello die daar in mijn opname aan voorafgaat. Maar dan is Schönberger plotseling streng over deze “druilerigste noten van dit doorgaans zo droogogige oeuvre'.

Eénmaal behoud ik mij een afwijkende mening voor - en bewonder tegelijk Schönbergers woordkeus, die hem tot zo'n unieke muziekschrijver maakt. Tintelend en daardoor steeds weer nieuwsgierig-makend zijn zijn formuleringen, die het onmogelijke mogelijk maken. “Ja, muziek betekent alles,' schrijft Schönberger in zijn Huizinga-lezing. “Totdat we er iets over moeten zeggen. Dan staan we met onze mond vol tanden.'

Overtuigender kunnen die woorden niet worden gelogenstraft dan door het boek dat daarop volgt. Schönbergers achteloze woordkunst verdient een uitgebreide bloemlezing, maar ik geef één voorbeeld. Over Mahler - om te laten zien dat zij niet alleen de bewonderende modus kent - wiens symfonieën, zo schrijft Schönberger, steevast het gevoel geven “dat de noten zich gedragen zoals zij zich beslist niet zouden gedragen als zij het voor het zeggen hadden'.

Elmer Schönberger: Het gebroken oor. Meulenhoff, 391 blz. euro 16,50

    • Ger Groot