Kafka

Over het werk van Franz Kafka zijn eindeloos veel interpretaties verschenen, maar wat was hij nou voor iemand in de omgang, hoe zag hij eruit, hoe gedroeg hij zich? Daarover bestaat maar een beperkt aantal bronnen: wat foto's en de getuigenissen van een handvol vrienden.

Zijn signalement: hij was 1 meter 81 lang, slank, had staalblauwe ogen, zwart haar en een knap, regelmatig gezicht. Zijn gezicht had vaak een glimlachende, raadselachtige uitdrukking, schrijft Rudolf Fuchs, een vriend. Op vrouwen oefende hij een grote aantrekkingskracht uit, ook al twijfelde hij daar zelf aan, aldus zijn boezemvriend Max Brod.

Brod heeft zich altijd verzet tegen het beeld van Kafka als een sombere kluizenaar, ongeschikt voor enig sociaal leven. Kafka maakte wel degelijk vrienden - al had hij daar de relaties van Brod voor nodig - en hij zocht hen regelmatig op. In gezelschap was hij stil en verlegen, maar als hij iets zei klonk het oprecht en was het to the point. In vertrouwelijke gesprekken kon hij vrolijk en grappig zijn. “Kafka wist aan alles een zonnige kant te ontdekken“, schrijft vriendin Dora Gerrit.

Met veel geduld en begrip adviseerde hij anderen over hun problemen, zijn eigen zielenroerselen bewaarde hij liever voor zijn verhalen, brieven en dagboeken, zoals deze aantekening uit 1913: “De enorme wereld die ik in mijn hoofd heb. Maar hoe mij bevrijden en haar bevrijden, zonder in stukken te worden gescheurd. En duizendmaal liever in stukken te worden gescheurd dan haar in mij tegenhouden of begraven. Want daarvoor ben ik hier, dat is me volkomen duidelijk.“

Literaire roem liet hem onverschillig, hij vond het niet zozeer onplezierig als wel onbelangrijk, schrijft Brod. Daarom verzette hij zich lang tegen publicatie van zijn werk.

Wat mij in alle verhalen over hem vooral opvalt, is zijn hoffelijkheid en tact, vaak gemengd met een beminnelijk soort humor. Twee voorbeelden.

Toen Kafka een keer Brod thuis opzocht, stoorde hij diens vader in zijn slaap. “Op een onvergelijkelijk vriendelijke manier“, schrijft Brod, stak Kafka zijn handen in de lucht en zei terwijl hij zich zachtjes op zijn tenen door de kamer voortbewoog: “Ik smeek u, beschouw mij als een droom.“

Kafka maakte kennis met Oskar Baum, een blinde romanschrijver. Baum: “Een diepe indruk liet op mij achter de eerste beweging die Kafka maakte toen hij bij mij binnenkwam. Hij wist dat hij bij een blinde was. En hij maakte, terwijl Brod hem aan mij voorstelde, voor mij, zonder iets te zeggen, een buiging() Dat was, nietwaar, een zinloze formaliteit tegenover mij, die er immers niets van zien kon. () Ik voelde mij hevig ontroerd () Hier had iemand, als eerste onder alle mensen die mij ooit hadden ontmoet, mijn gebrek (niet door aanpassing of consideratie, niet door zijn optreden ook maar in het minst te veranderen) erkend als iets dat alleen mij aanging.“

Hoe merkte Baum die buiging op, zal de oplettende lezer zich afvragen. Hij voelde het hoofdhaar van Kafka “lichtjes' tegen zijn voorhoofd.

Maken al die vrienden niet een soort heilige van Kafka? Daar moet je, zeker bij Brod, voor oppassen. Kafka had ook zijn frivole (hoerenbezoek) en harde kanten - daarover een andere keer.