Goed juf, ik zal het proberen

Choreograaf Krisztina de Châtel laat het publiek zelf dansen in haar nieuwe werk “Entree'. “Sorry, maar voor mij zijn de mensen in de eerste plaats een instrument in de ruimte.“

Krisztina de Châtel Middelburg, 14/01/06. Beeld van het project Entree, 'n choreografie van Krisztina de Chatel in de vleeshal te Middelburg. Foto Leo van Velzen/Nrc.Hb. Velzen, Leo van

Links, rechts, links, wissel wissel. Rechts, links, rechts, wissel wissel. Het lukt! Mijn voeten voeren uit wat mijn ogen net zagen. Het is zaterdagmiddag, en ik ben danseres in De Vleeshal in Middelburg. Ik dans, ik schrijd de hal door naar voren, rug recht, nek lang. Er is publiek. Ik zie ze zitten, op stoeltjes bij de uitgang, en ik zie ze door de ramen van de hal naar binnen turen, wolkjes kou voor hun monden, klaar om eens lekker te lachen. Ik kijk ze strak aan. Hier dansen wij. Vanuit mijn ooghoeken zoek ik links, rechts naar steun van mijn veertien mededanseressen. Ik zie vloer. Muur. Mijn voeten houden abrupt halt. Het is mis. Ik sta hier in mijn eentje. Ik ben een idioot.

Dan vind ik de oma met de bloemetjesblouse terug, de moeder met het bruine piekhaar, het lieve meisje met de kaplaarzen. Wat zijn we ver uit elkaar geraakt! We hebben het allemaal verkeerd gedaan. Vanaf de achterwand zijn we recht naar voren gekomen, terwijl we twee schuine lijnen hadden moeten vormen, de middelste vrouw vooraan, om dan één voor één in te voegen en te versmelten tot een lange, verticale lijn.

“Dames“, zegt choreograaf Krisztina de Châtel. Haar stem klinkt streng, maar haar ogen staan aardig. Ze draagt zwarte sportkleren en ze heeft lang haar. Ze lijkt op mijn gymjuffie, vroeger. “Jullie moeten kijken, kijken, kijken. En jij“ Ze stapt over het touw dat dans- en publieksgedeelte scheidt, loopt op me af en pakt me bij mijn elleboog. “Het is een, twee, drie, achter achter. Ja? Dus een, twee, drie“ Ook dat nog. Ik deed het pasje als een soort mambo, maar dit is moderne dans, en die wissel is echt achter, alsof je even stopt met lopen. Goed juf. Ik zal het proberen juf.

In Entree, de choreografie voor publiek die Krisztina de Châtel vanaf morgen in De Vleeshal presenteert, komen twee belangrijke elementen uit haar recente werk samen: het werken op locatie en het werken met niet-dansers. De Châtel (Boedapest, 1943) maakte choreografieën in onder meer de Grote of St. Bavo Kerk in Haarlem en het Cobra Museum in Amstelveen, en liet de dansers uit haar gezelschap vorig jaar optreden tussen werken van schilder Egon Schiele in het Van Gogh Museum in Amsterdam. Ze is al twintig jaar “weg“ van De Vleeshal, vertelt ze. De hal, die tussen 1506 en 1521 aan het gotische stadhuis van Middelburg werd gebouwd, is sinds 1972 in gebruik als expositieruimte voor moderne beeldende kunst. Het is een lange, lichte zaal van bijna negen meter breed en achtendertig meter lang, met een bogenplafond, wit geverfde stenen muren en een zwart-witte tegelvloer. “Altijd als ik er foto's van zag, dacht ik: wow, wat is dat een te gekke ruimte“, zegt De Châtel. “Een paar jaar geleden raadde een vriendin me aan om contact op te nemen met Rutger Wolfson, de directeur van De Vleeshal, omdat hij bekend staat als een vooruitstrevend iemand. Dat heb ik gedaan. We bedachten dat ik aan mensen door moest geven hoe ik de ruimte van de hal ervaar. Het middel daarvoor is dans.“

Voor Wolfson (1969) was dans tot dan toe “een soort blinde vlek“, zegt hij. “En ik zag het ook niet zitten om in De Vleeshal een echte voorstelling te maken: die kun je maar een paar keer uitvoeren, op vaste tijdstippen, terwijl onze projecten weken of maanden duren en het publiek gewoon binnen moet kunnen lopen. Maar ik was wel heel benieuwd naar de manier waarop een choreograaf naar de hal zou kijken. Van Krisztina wist ik dat ze een heel eigen signatuur heeft: wat ze maakt is sober, ze gebruikt minimale middelen, maar ze maakt grote indruk.“

Om een brug te slaan tussen De Châtels danswens en het openbare karakter van De Vleeshal, betrok Wolfson Birthe Leemeijer bij het project, een beeldend kunstenaar die het publiek steevast een grote rol in haar projecten geeft. Gedrieën bedachten ze dat de bezoekers zelf danser zouden kunnen worden. Leemeijer (1972) liet al eens mensen opstijgen in een heteluchtballon, zette ze op bankjes van sloophout in een Wagenings landschap en verkocht ze een parfum van polderlucht, l'Essence de Mastenbroek; de zintuiglijke beleving van het kunstwerk staat bij haar voorop. “Als iemand een schilderij bekijkt, ervaart hij van alles, maar dat doet hij voor zichzelf“, licht ze toe. “Hij staat voor een werk, kijkt ernaar en loopt door. Dat is niet zoveel. Bij dit project is de ervaring van de toeschouwer zichtbaar. Hij beleeft het door de choreografie uit te voeren.“

Leemeijer bedacht ook manieren om De Vleeshal “transparanter' te maken: de luiken voor de ramen moesten open, boven de ingang kwam een groot bord met “Entree', een rood kleed golft nu de Markt op. Bij een verzorgingstehuis, een middelbare school en een dansschool werden lokale vrijwilligers gevonden om met De Châtel te komen oefenen.

Die had inmiddels een moderne beat onder twee liederen van Hildegard von Bingen (1098-1179) laten zetten als soundtrack voor Entree, wat het effect van een trippy kerkdienst heeft, en de bewegingen of patronen die ze voor zich zag in een schriftje genoteerd: bladzijden vol kruisjes en pijlen. De Châtel werkte eerder met onder anderen vuilnismannen en mensen met een psychiatrische achtergrond, en ze is tegen niet-dansers “net zo streng“ als tegen dansers. “Ik zeg altijd gewoon: het moet mooi worden. Daar heeft iedereen meer aan. Ik heb geen zin om gemakkelijk iets in elkaar te flansen. Dus een diagonaal is een diagonaal, en een cirkel is een cirkel en geen ei, want in die hal is dat niks, een ei. Sorry, maar voor mij zijn de mensen in de eerste plaats een instrument in de ruimte.“

Mannen dienden zich voor de repetities nauwelijks aan. Rutger Wolfson deed mee, en er was een scholier, maar die was na één keer alweer verdwenen. “Mannen schamen zich misschien“, zegt De Châtel. “Dat is altijd een probleem in de dans. Die vuilnismannen [in de voorstelling Zooi, 2005, red.] deden goed mee, maar zij reden rond in hun wagens of ze stonden stil, en dan klommen de dansers op hen. Zodra het dansant wordt, generen mannen zich.“ “Het is jammer“, zegt Leemeijer. “Hoe groter de individuele verschillen, hoe leuker Entree wordt om naar te kijken.“ ,,Misschien moet er eerst één schaap over de dam zijn“, zegt Wolfson, die het meedoen zelf “confronterend“ vond, maar die zijn gêne “ook alleen maar met clichés als “dansen is niet stoer' kan verklaren“.

Na de officiële opening, morgen, komt De Châtel zelf tot het eind van het project in april nog vier zaterdagmiddagen naar Middelburg; bij de overige uitvoeringen treden vrijwilligsters van Dance Centre Dazzle als gastvrouwen op. Deelname gaat volgens een zwaan-kleef-aan systeem: de muziek staat van drie tot vijf uur 's middags permanent aan, en er mogen maximaal twintig mensen tegelijk meedansen.

Voor stille middagen heeft De Châtel aangepaste versies van Entree op schrift staan, er is een ruige versie voor jongeren en een versie voor mensen in een rolstoel. Maar op echt volle dagen, zoals afgelopen zaterdag, moeten de overtolligen op hun beurt wachten. Dat valt ze zwaar. Een dame op leeftijd trekt verontwaardigd haar bontmantel weer aan als ze langer dan een kwartier aan de kant heeft moeten zitten. Twee vriendinnen van in de veertig klimmen tot twee keer toe te vroeg over het touw. “Krisztina“ “Ja schat, even wachten nog“, zegt De Châtel, met geamuseerde blik. “Nog tien minuten.“

Als toeschouwer geniet ik van Entree. Ik zie een ketting van vrouwen samenklonten en uiteenvallen, ik zie een “S' en een “V', ik monster alle deelneemsters van top tot teen. Die rooie mevrouw holt zo theatraal dat het hilarisch wordt, en dat kleine loenzende mensje schuifelt zo ontroerend vogelvrij naar voren... Maar op mijn eigen dansen heeft De Châtels beleving van De Vleeshal een verlammende werking. Zij denkt in lijnen en vlakken, en dus beweeg ik in lijnen en vlakken. Als we achterin op onze eigen manier de zaal in de breedte mogen doorkruisen, marcheer ik stram als een legerofficier van muur tot muur. Sommigen tollen rond, anderen rennen keihard. Waarom kan ik dat niet? “Dichtbij elkaar nu“, sist een vrouw met heel kort haar. Dat zal wel een gastvrouw van de dansschool zijn, een stille.

“Dames“, zegt De Châtel, “niet praten! Horen jullie de muziek?“

Krisztina de Châtel, “Entree. Een choreografie voor het publiek'. Vanaf 21/1 in De Vleeshal, Markt, Middelburg. Uitvoeringen t/m 2 april, woe t/m zo, 15-17u. Gratis entree. Inl. en opgeven via 0118-652200 of www.vleeshal.nl of www.dechatel.nl.