God springt over een hekje

Ze heette een kluizenares te zijn, maar bij haar dorpsgenoten in Amherst stond Emily Dickinson bekend om haar gevatheid. Haar onnavolgbare beeldspraak maakt dat haar gedichten tegelijk wel en niet communiceren. Maar een nieuwe vertaling laat zien dat ze hoe dan ook leven.

Emily Dickinson in 1848 Granger Collection

Een mensenschuwe en teruggetrokken vrouw, altijd gekleed in witte jurken met een bloem erop gespeld. Een ongehuwde excentriekelinge die haar verzen verborgen hield en die zelfs vrienden hooguit vanachter een halfgesloten deur te woord stond. Ziedaar de contouren van de mythe Emily Dickinson (1830-1886).

Van alles heeft er de afgelopen 150 jaar aan bijgedragen om die mythe te vormen. De honderden nooit gepubliceerde gedichten die Emily's zuster na haar dood aantrof op haar kamer. De vermeende grote liefde die Dickinson had opgevat voor een man die zij de “Master' noemde, de prachtige, misschien nooit verzonden brieven die ze aan hem schreef en het Gebroken Hart waar de geschiedenis mee eindigde. Voeg daarbij nog een tirannieke, puriteinse vader en het sprookje is compleet.

Recente biografen hebben de legende inmiddels enigszins ontkracht, en laten zien dat Emily Dickinson gedurende een groot deel van haar leven een gewoon sociaal leven leidde in het Amerikaanse provinciestadje Amherst, waar zij bekend stond om haar humor en gevatheid. En zo geheimzinnig deed Dickinson nu ook weer niet over haar dichtkunst. De 1.775 verzen die zij schreef waren wel degelijk bedoeld voor het oog van de buitenwereld - ze stuurde ze bijvoorbeeld regelmatig aan vrienden, met een bloemetje erbij.

In 1862, toen ze eenendertig jaar oud was en een belangrijk deel van haar gedichten al geschreven had, schreef ze een bescheiden briefje aan de criticus Thomas Wentworth Higginson, dat ze sinds “deze winter' verzen schreef. Wat hij er van vond. Ze zocht daarmee waarschijnlijk publicatie van haar werk, al schreef ze rond dezelfde tijd: “Publiceren - is het Veilen/ Van de Mens zijn Geest'.

Haar eigen tweeslachtigheid zorgde er misschien voor dat Dickinsons roem pas na haar dood op gang kwam. En in 1933 nog moest Vestdijk haar in Forum verdedigen tegen de “miskenning' die haar te beurt was gevallen. Hij prees haar als “een moderne avant-la-lettre', modern in de betekenis van: “dat wat ons nog levend aandoet'. Dickinson verdedigen hoeft Peter Verstegen niet te doen in de vertaling die hij nu maakte van Dickinsons werk: zij is inmiddels hoog en breed geaccepteerd als een van de grootste Amerikaanse dichters.

Maar bij leven verschenen er maar enkele van Dickinsons gedichten in de krant, en dan nog wel “genormaliseerd' door Higginson, die het “spasmodische ritme' en het “ongevormde' van de verzen niets vond. Uiteraard zijn het juist die aspecten die Dickinsons poëzie bijzonder maken. Je herkent haar gedichten direct, vooral door het kwistige gebruik van gedachtestreepjes en hoofdletters. Fragmentarisch en haast verzonken in het wit met hun korte regeltjes, doen ze bepaald niet negentiende-eeuws aan.

Modern zijn ze ook in hun raadselachtigheid. Zoals de persoon van de dichteres de biografen ontglipt, zo is ook de inhoud van Dickinsons verzen niet altijd helder - hoe eenvoudig haar taalgebruik ook mag lijken. De beeldspraak is onnavolgbaar, de associaties te persoonlijk voor een buitenstaander. Deze gedichten communiceren tegelijk wel en niet, net als Dickinson zelf deed. Wat dat betreft is die halfgesloten deur waarachter de dichteres haar vrienden te woord stond, kenmerkend. Net als het feit dat ze zorgvuldig veertig handgeschreven bundeltjes samenstelde, maar die nooit aan iemand liet zien.

Dit alles maakt de vertaling die Peter Verstegen nu van Dickinsons poëzie maakte, broodnodig, net als de verhelderende toelichting van ongeveer een halve pagina die ieder gedicht van hem krijgt. In die toelichtingen interpreteert Verstegen het gedicht, licht hij iets toe over de historische context van een vers (de Burgeroorlog, het Puritanisme), of over de biografische aanleiding. Handig, ook al omdat Verstegen ervoor koos om Dickinsons biografie pas in het later te verschijnen deel II van Gedichten op te nemen. Daarin zal dan tevens de vertaling volgen van de rest van de verzen, die niet door Dickinson zelf werden gebundeld.

Verstegen staat vaak stil bij zijn overwegingen tijdens het vertalen. Waarom “brown dusk' bij hem “omberen schemering' wordt, bijvoorbeeld (het gaat om een literaire referentie). En waarom hij ervoor koos het ritme van de verzen te laten prevaleren boven de inhoud. Dickinsons kenmerkende, jambische metrum was gebaseerd op dat van de psalmberijmingen waar ze mee opgroeide: afwisselend acht en zes lettergrepen. “De kerkgangers kregen de dreunende cadans, door orgelklanken ondersteund, nooit meer uit hun hoofd', aldus Verstegen. Dickinson zette die kerkelijke vorm vervolgens naar haar hand, door enjambementen en halfrijmen, en vooral door de profane inhoud van haar gedichten.

Zelfs wanneer ze wel over God gaan, wordt Hij niet zozeer geëerd of gevreesd als wel aangesproken en ter verantwoording geroepen. Zo ensceneert Dickinson een rechtszaak tegen God omdat Hij de nachtvorst over haar bloemen had laten gaan. Of ze vergelijkt Hem met een minnaar (“God is a distant- stately Lover') of met een jongetje dat over een hek klimt om aardbeien te stelen.

Niet alleen over God hanteert Dickinson zulke onverwachte beeldspraak. Het leven kan bij haar “een Kopje' zijn dat de koster in zijn kast heeft gezet, het kerkhof is een “Dorp' of een “Herberg', maar dan zonder vuur in de haard. De schepping is een “Bokkesprong van God', of de kosmos is de “Dienstmeid' van een krokus.

Dickinsons vergelijkingen zijn soms zo ver uitgewerkt dat ze gaan lijken op de complexe conceits zoals John Donne ze maakte in de 17de eeuw. Neem de eerste strofe van het gedicht “The Brain - is wider than the Sky -': “Het Brein - is wijder dan de Lucht / Want - zet ze zij aan zij - / Het een omvat het ander met/ Gemak - en Jou erbij -'. Om in de volgende strofen verder te gaan over het brein dat ook dieper is dan de zee en even zwaar als God.

Een verschil met Donne is dat Dickinson vaak letterlijk huis-, tuin- of -keukenbeeldspraak gebruikt. De geest die steun nodig heeft is bij haar als een huis dat in de steigers staat. De aderen op haar hand worden vergeleken met “Purperwinde'. Vaak gaat het over bloemen, bijen of vlinders, die bijvoorbeeld staan voor het kortstondige en vergankelijke mensenleven.

Want dat is het voornaamste onderwerp van Dickinsons poëzie: de dood en de eeuwigheid. Voortdurend wordt er gesproken vanuit het graf of tegen een graf. Dat zal te maken hebben met een geloofsopvatting, waarbij de beloning voor aardse beproevingen in het hiernamaals komt, maar ook met de vele sterfgevallen waar een jonge vrouw halverwege de negentiende eeuw nu eenmaal mee te maken had. De praktijk van het waken bij een sterfbed resulteert bij Dickinson in prachtige “sterfportretten'. Soms werden troostende verzen aan correspondenten gericht, of gaat het gewoon over rouw: “Dat je verlies voelt om de dood/ Van mensen nooit gezien -/ Toont tussen hun en onze Ziel/ Een Bloedverwantschap aan -'.

Daarnaast zijn ook de liefdesgedichten heel ontroerend, tot wie ze ook gericht waren. Interessanter dan de vraag wie deze “Master' in werkelijkheid was, is dat hij als een soort muze dienst moet hebben gedaan voor strofen als deze: “Nachten Wild - Nachten Wild! Mocht ik bij u zijn/ Wilde nachten zouden/ Onze Weelde zijn!'.

Niet al Dickinsons gedichten raken even onmiddellijk - soms is de beeldspraak te gezocht, de aanleiding te onbegrijpelijk of persoonlijk, de denkbeelden te 19de-eeuws. Zelfs voor haar tijdgenoten moet Dickinson moeilijk geweest zijn, net als overigens voor haar correspondenten. Haar brieven waren, zeker later in haar leven, zo cryptisch dat het zo nu en dan maar de vraag is of de ontvangers er een touw aan vast konden knopen.

Gelukkig gaan de gedichten gepaard met Verstegens toelichting, waarin hij de belangrijkste interpretaties uit de Dickinson-literatuur ook altijd even noemt. Ook die leiden zelden tot een sluitend geheel - deze gedichten kennen geen “closure' zoals dat in de Amerikaanse literatuurbeschouwing heet - geen definitieve en afgeronde betekenis. Die onafheid wordt nog versterkt door het fragmentarische van de gedichten en de vele liggende streepjes, die de cadans verbreken en de verzen haast iets stamelends en zoekends geven.

Dat is in de vertaling behouden gebleven. Gelukkig is het een tweetalige editie, zodat je steeds mee kunt denken over Verstegens vertaalkeuzes. Zo zie je hoe hij ritmische problemen oplost door weglatingen of afbrekingen: “Grace' wordt vrijwel altijd “Gena' in plaats van Genade, en “both' wordt bijvoorbeeld “bei'. Een nadeel zijn de enjambementen die Verstegen vaak moet toepassen om ritmische getrouwheid te bewerkstelligen. Soms worden de versregels daardoor wat slapper dan in het origineel. Maar het moet enorm lastig zijn geweest om de beknoptheid te behouden, en dat lukt Verstegen wonderwel. Van “A single Dram of Heaven' maakt hij “Een enkel Hemelgrein', en van “Wifehood' bijvoorbeeld: “Vrouw-zijn-van'.

Min of meer tegelijk met Gedichten I verscheen er in Vlaanderen een kleinere bloemlezing uit Dickinsons poëzie onder de titel Goedemorgen - Middernacht -. De vertaalster, Lucienne Stassaert, deed precies het tegenovergestelde van Verstegen - zij koos niet voor ritme maar voor inhoud. Zonodig verhoogt zij het aantal versvoeten per regel, om maar geen “gekortwiekt' Nederlands te schrijven.

Neem deze eerste strofe van een gedichtje: “I many times thought Peace had come/ When Peace was far away -/ As Wrecked Men - deem they sight the Land -/ At Centre of the Sea -//.'

Stassaert vertaalt dat als volgt: “Ik dacht meermaals Vrede te vinden/ Als Vrede ver weg was -/ Als Wie na Schipbreuk- Land meent te zien-/ In 't midden van de Zee -//'. Voordeel van deze vertaling is dat de inhoud precies zo over de regels gedoseerd is als bij Dickinson - het nadeel is het verlies van het metrum. Als u het hardop leest, zal blijken dat de eerste en de derde regel in de vertaling te lang zijn en de cadans verloren gaat.

Verstegen vertaalt de strofe als volgt: “Ik dacht zo vaak dat Vrede kwam/ waar Vrede verre bleef -/ Als Wie na Schipbreuk - meent dat hij/ Land ziet - Midden op Zee -//'. Het vlekkeloze metrum heeft als nadeel dat er een enjambement is ontstaan in regel drie, waardoor de inhoud dus anders over de regels verspreid is komen te liggen. Maar al met al verdraagt deze poëzie de samentrekkingen, weglatingen en enjambementen van Verstegen veel beter dan het verlies van ritme: zelf gebruikte de dichteres die middelen immers ook.

“Kunt u mij zeggen of mijn vers leeft?', vroeg Dickinson in 1862 aan de criticus Higginson toen ze hem vier van haar gedichten stuurde. Met dank aan deze nieuwe vertaling en de toelichtingen van Verstegen kunnen wij antwoorden: het leefde niet alleen toen, het leeft nu nog steeds.

Emily Dickinson: Gedichten I. Vertaald en van commentaar voorzien door Peter Verstegen. Van Oorschot, 640 blz. euro34,95

Emily Dickinson: Goedemorgen - Middernacht -. Vertaald en van een nawoord voorzien door Lucienne Stassaert. Uitgeverij P. , 112 blz. euro 17,-