Een oude die wil meedoen

Het Tilburgse tijdschrift Nexus ziet er zo sober en tijdloos uit dat je gaat denken dat het lezen ervan niet bijzonder dringend is. Ditmaal is dat juist de bedoeling: Nexus vroeg 24 zeventig-plussers om “een brief aan het nageslacht', van dichter Christine D'Haen (1923) via oud-politicus Max van der Stoel (1924), naar journalist Max Nord (1916), de oudste uit het nummer.

Wat krijg je als je oude mensen vraagt naar een verhaal voor hen die na hen komen? . “Een boodschap aan de jeugd is [...] altijd een verkapte boodschap aan zichzelf. Er schuilt iets van dat heimelijke verlangen in om de zaak nog eens over te doen', schrijft H.W. von der Dunk, om die observatie te laten volgen door een mooie beschouwing over vooruitgang, oorlog, geschiedenis en de twintigste eeuw. Die hij dan besluit door te wijzen op het belang van het kleine: “ieders meest intieme ervaringen van droefenis, verlies, geluk, verlangen en liefde'. Een beetje wee word je wel van deze Nexus: al is het maar omdat het meest voorkomende stramien van de stukken bestaat uit een opsomming van de narrow escape die de twintigste eeuw is geweest: totalitaire verschrikkingen, gevolgd door de grote vooruitgang dat we nu weten hoe gevaarlijk een absoluut geloof kan zijn. Waarna de meesten een opsomming geven van de grote gevaren die de mensheid nu omringen; milieuvervuiling en fanatisme worden met de grootste zorg bezien.

Sommige auteurs blijven erg dicht bij zichzelf, zoals de Britse Mahlerspecialist Donald Mitchell (1925) die zijn brief niet aan het nageslacht schrijft maar aan een overleden vriend en die vervolgens onnavolgbaar uitweidt over een Mahlerlezing die hij zou houden op 7 juli 2005, de dag van de aanslagen in Londen, koebelgeluid en ironie. Die laatste term is misschien ook de beste sleutel om iets van zijn futiel aandoende betoog te begrijpen.

Je krijgt de indruk dat de opdracht van Nexus de meeste schrijvers toch een beetje in verwarring heeft gebracht, de grote greep over het eigen tijdperk heen is niet iedereen gegeven. Maar het moet wel heel gek lopen, wil het niet één briljant essay opleveren. Dat is ook nu het geval. In zijn “Brief aan het nageslacht' combineert de Poolse socioloog Zygmunt Bauman (1925) een persoonlijke aanpak met mooie citaten (over de onwetende wijze waarop men in 1899 jubelend het begin van de nieuwe eeuw vierde) én een helder idee over de toestand van de mens. Die is van een “pelgrim' veranderd in een “toerist', iemand die minder maalt om de bestemming dan om de reis. Zo heeft de utopie zich naar het heden verplaatst - die moet onophoudelijk aan de gang zijn. “Ze helpt enkel het vraagstuk van de zin van het leven uit de gedachten van de levenden te bannen'. Dat lijkt de aanzet tot een cultuurpessimistische uiteenzetting, maar Bauman redeneert zich naar een hoopvolle conclusie temidden van de zorgen om onze planeet.

Zo stijgt er uit zijn stuk het mooie beeld op van een oudere man die eigenlijk maar een ding aan het nageslacht te vragen heeft: “Mag ik nog even blijven meedoen?'

Nexus 43. Brieven aan het nageslacht. Nexus, 280 blz. euro 19,50

    • Arjen Fortuin