Een God met en zonder Zoon

Een Amerikaanse historicus heeft geprobeerd om zo objectief mogelijk islam en christendom, koran en bijbel te vergelijken. Dat levert een leerzame studie op.

Een poster in Jeruzalem met de oproep 'Coexist', mei 2001 Foto Reinhard Krause Pedestrians walk past a poster May 13, 2001 reading " Coexist" using the Islamic half moon, the Jewish David Star and the Christian cross at the outer wall of Jerusalem's old city which is part of an exhibition of several international artists organized by a Jerusalem museum on the theme of coexistence. The outdoor exhibition is due to travel worldwide to cities which have a history of violent confrontation and division. REUTERS

Ruim vier jaar na de Al Qaeda-aanslagen van 11 september 2001 zijn boeken over de islam, fundamentalisme en religie nog steeds een groeimarkt. In Europa en de Verenigde Staten is een onafzienbare stroom publicaties op gang gekomen van oude en nieuwe islamdeskundigen, variërend van heruitgaven van gezaghebbende monografieën tot gelegenheidsbundels en pamfletten.

Onder al dat koren schuilt veel kaf, waarin heetgebakerde of juist zoetige ideologie het wint van inzicht en analyse. Enerzijds is er een apologetisch genre, waarin de islam wordt verdedigd als een louter vredelievende religie, ten onrechte aangezien voor vrouwvijandig of gewelddadig; een opgewekte stemming die ook doorklinkt in de populaire religie-historische werken van Karen Armstrong. Anderzijds keren in talrijke aanklachten tegen de islam eurocentrische clichés terug die geen rekening houden met de ontwikkeling en nabijheid van die godsdienst. Sommige, zoals de bij vlagen hysterische filippica's van Oriana Fallaci, walmen van de afkeer van moslims, die er alleen maar op uit zouden zijn ons te overheersen.

De monografie Islam van Frank A. Peters ontloopt gelukkig beide extremen. Peters is hoogleraar religie aan de universiteit van New York en geldt als een autoriteit op het gebied van de betrekkingen tussen christenen, joden en moslims. In dit boek, oorspronkelijk verschenen in 2003, geeft hij een scherp, accuraat en objectief overzicht van de islam en de koran in de context van de twee andere grote monotheïstische religies, jodendom en christendom. Peters heeft een open oog voor de parallellen tussen de drie, hij verkettert of ridiculiseert de islam nergens, maar hij houdt ook de bijzonderheden van de islam goed in het oog, en maakt niet, zoals sommige oecumenische geesten, alle katten even grauw.

Zo wijst Peters op de nuanceverschillen in godsbeeld tussen moslims, joden en christenen. In alle drie religies is Hij de unieke Schepper van een wereld die een samenhangend geheel is en geen door toeval beheerste chaos. Ook in alle drie bestaat de notie van een Laatste Oordeel, dat aan Hem is. De mens is vrij in zijn handelen, maar over hem wordt geoordeeld. Maar terwijl Jahweh zijn verbond alleen sloot met het joodse volk, is de God van zowel moslims als christenen een universele God, bedoeld voor de hele mensheid. Het idee, uitgedragen door het Tweede-Kamerlid Hirsi Ali, dat moslims in tegenstelling tot moderne westerlingen niet universeel denken, en wel op grond van hun godsdienst, is daarom bizar: juist de universele aanspraken van de islam maken die tot zo'n formidabele en veerkrachtige rivaal van het universele Westen.

Nog meer dan het christendom legt de islam op zijn beurt de nadruk op de absolute eenheid en almacht van God, die dan ook geen Zoon kan hebben gehad (hier dreigt polytheïsme), maar wiens laatste profeet Mohammed heet.

Peters noemt de God van de bijbel daarnaast “zowel complexer als psychologisch meer genuanceerd en directer betrokken bij de geschiedenis' dan de “majestueuze maar tamelijk abstracte en afstandelijke Allah van de koran'. Ook het idee van een erfzonde en de gedachte dat een zoon van God zich aan het kruis heeft geofferd om de zonden van de mensheid weg te nemen, zijn de islam vreemd.

Kruisdood

Die verschillen tussen christendom en islam zijn onmiskenbaar, al is hun betekenis niet eenduidig. Maken ze de islam “prozaïscher' dan het christendom, of moderner? Het rationele karakter van de islam, wars van mysteries als kruisdood en wederopstanding, zou mede kunnen verklaren waarom de religie zo resistent is gebleken tegen secularisering in de moderne tijd. Terwijl het Europese christendom steeds meer terrein moest prijsgeven aan de wetenschap, kon de islam de studie van het ondermaanse met minder moeite koppelen aan de verering van een God die alles in werking heeft gezet, maar die (behoudens zijn openbaring in de koran en het uiteindelijke Laatste Oordeel) minder direct ingrijpt dan de sturende God van de bijbel.

Als bijzonderheid van de islam ziet Peters ook, ondanks de even krijgshaftige taal in de bijbel, de ruimere mate waarin een “heilige oorlog' wordt gelegitimeerd vanuit de koran. En het (al door vele anderen opgemerkte) verschil in historische ervaring tussen een religie die “vanaf het begin geen andere soevereiniteit heeft erkend dan die van God' en het jodendom en christendom die “zich moesten aanpassen aan, en meer recent, laten bedwingen door de seculiere staten die over hen heersen' .

Peters meent op grond van die verschillen dat fanatisme, “verankerd in de genen' van alle drie monotheïstische religies, zich momenteel “het meest onbelemmerd' kan uiten in de islam. Voorts plaatst hij nuttige kanttekeningen bij het idee dat de islam per se een tolerante religie is: de koranteksten over andere gelovigen, met name die over de joden, wisselen instabiel tussen sympathie en vijandigheid, met name na de migratie naar Medina, waar Mohammed stuitte op verzet van lokale joodse groepen. Sympathie voor de “volken van het Boek' concurreert sindsdien met het idee dat zij geknoeid hebben met hun heilige teksten en eigenlijk vijanden zijn van het ware geloof, de islam. Ook het verschil tussen “ware' moslims en hypocrieten is al van oude datum, onderstreept Peters.

Dat wil allemaal niet zeggen dat de islam feitelijk geen scheiding van kerk en staat kent, of per definitie haatdragend is jegens joden of ongelovigen. De teksten in de koran zijn niet alleen meerduidig, de praktijk was bovendien vaak anders dan de letter van de wet. Peters wijst erop dat de contractuele status van dhimmis die de “volken van het boek' onder islamitisch bewind kregen, zeker niet strookt met het moderne idee van tolerantie (men werd en bleef tweederangsburger) maar joden en christenen niettemin garanties bood die ontbraken voor moslims in de christelijke landen van middeleeuws Europa.

De islam kent volgens Peters feitelijk ook wel degelijk een scheiding tussen seculier en geestelijk gezag (de staatsvorm van Khomeiny, waar islamitische juristen de macht hebben, is een moderne innovatie), ook al bleef die principieel altijd onder druk staan van de universele aanspraken van de religie. De nadruk op de soevereiniteit van God, en op de noodzaak van een 'goede moslim' als wereldlijk leider, maakten wel dat de islam altijd kon dienen als vehikel van protest tegen vermeend onrechtvaardige, tirannieke of corrupte heersers. Sinds de Iraanse revolutie vervult de islam ook in de moderne wereld weer sterk die functie.

Saddam

Peters bestrijdt ook het idee dat de islam geen ruimte biedt aan interpretatie van teksten. De Koran wordt door moslims, meer dan de Bijbel door christenen, zeker beschouwd als het letterlijke woord van God, maar de tekst is in het verleden veelvuldig en uiteenlopend geïnterpreteerd. Daarvan getuigt onder meer de hadith-literatuur over het gedrag en de opvattingen van de Profeet. De “poorten van ijtihad' (interpretatie) werden in de 11de eeuw gesloten, juist om een wildgroei aan juridische scholen en interpretaties tegen te gaan.

Inmiddels zijn die poorten van de interpretatie alweer lang geopend. In de 19de eeuw gebeurde dat door modernistische moslims, die de islam wilden inpassen in de moderne wereld. In de 20ste wordt het recht op interpretatie ook nadrukkelijk opgeëist door fundamentalisten. Zij zijn wars van het orthodoxe leergezag van de ulama en, zoals de christelijke protestanten in de 16de eeuw, willen zelf de bronnen raadplegen. Osama bin Laden, geen islamitische tekstgeleerde, vaardigt zijn eigen fatwa's uit. Dat laatste nuanceert het wel gesignaleerde verband tussen de vrije interpretatie van teksten en een inhoudelijk meer vrijzinnige versie van het geloof. Dat verband blijkt geenszins dwingend te zijn, zoals hervormers van de islam vaan hopen. Integendeel: de eigen interpretatie van jonge moslims of van cyber-imams, onthecht geraakt van hun traditionele culturen, is vaak juist zeer fundamentalistisch.

Peters is een religiehistoricus, en gaat niet of nauwelijks in op de sociale, economische of politieke context van de islamitische samenlevingen. Voor die broodnodige kennis moet de lezer te rade bij klassiekers als Yra Lapidus' A History of Islamic Societies, of, voor een moderne sociologische blik, bij Franse auteurs als Olivier Roy en Gilles Kepel.

Islam is niettemin een zeer leerzaam en waardevol boek, juist omdat het de islam in een religieuze context plaatst en zo objectief is, dat wil zeggen: geen prettige kost voor aanhangers van het idee dat religies louter vrede prediken en alle mensen vanzelf Brüder zullen worden, maar ook niet voor hen die in moslims alleen maar een achterlijke versie willen zien van onszelf, of een soort onbegrijpelijke barbaren. Het tweede is niet minder een waanidee dan het eerste, en zeker zo aanmatigend.

Frank E. Peters: Islam en de joods-christelijke traditie. Een verkenning. Vertaald door Jeske Nelissen en Léon Stapper. Boom, 304 blz. euro 24,50

    • Sjoerd de Jong