Echt gebeurd gaat boven alles

Vroeger was alles helder: fictie las je om iets te voelen, non-fictie om iets te leren. Het succes van Geert Mak, Annejet van der Zijl en hun navolgers toont het ontstaan van een nieuw genre: waar gebeurde, literair geschreven verhalen die in de eerste plaats emotie opwekken.

Emile Brugman FOTO: Vincent Mentzel Mentzel, Vincent

Een zonnige najaarsdag in 1987. Journalist en schrijver Jan Brokken is net terug in Amsterdam, na een verblijf in het West-Afrikaanse land Burkina Faso. Op de fiets komt hij aan bij het pand op Singel 262, waarin uitgeverij De Arbeiderspers is gevestigd.

Terwijl hij zijn slot om een lantaarnpaal slaat, denkt hij aan de woorden van zijn redacteur, Emile Brugman, eerder die dag aan de telefoon. Korter had diens reactie op het manuscript, dat Brokken had ingeleverd, niet zijn: ,,Jan, we moeten praten.“

Brokken had de gebeurtenissen in de weken daarvoor snel opgeschreven: de staatsgreep in Burkina Faso op 15 oktober, de dood van de progressieve president Thomas Sankara - vermoord door zijn broer - en zijn persoonlijke belevenissen; zijn vrouw was in de chaos die daar heerste lange tijd zoek.

Binnengekomen zet de redacteur de auteur in een stoel bij het raam. Met de voeten in de vensterbank kijken de twee mannen naar buiten. Dan zegt Brugman: ,,Jan, je moet een principiële keuze maken. Of het wordt een non-fictie reisverhaal, óf het wordt een roman.“

,,Wat zou je ervan vinden“, zegt Brokken vervolgens, ,,als ik het verhaal een roman noem, terwijl het een non-fictie verhaal is?“

Brugman denkt een tijd na, voordat hij zegt: ,,Dan, Jan, hebben we een nieuw genre.“

In het voorjaar van 1988 verschijnt Zaza en de president van Jan Brokken bij uitgeverij De Arbeiderspers.

Bijna twintig jaar later. In café-restaurant Captein & Co. in Amsterdam zitten Jan Brokken, Geert Mak, Christine Otten, Frank Westerman en Annejet van der Zijl samen aan een tafel en praten ze over dat “nieuwe genre', zoals ze dat elke twee maanden doen. De dilemma's en de spanningen die het bedrijven van “literaire non-fictie' met zich meebrengt, worden hier gedeeld. Ze helpen elkaar. Geert Mak: ,,We vormen een klein, geheim, onuitgesproken genootschap“. Jan Brokken: ,,We zijn niet een groep of zo, maar toch bezig met iets wat nieuw en anders is. We vragen elkaar: Hoe pak jij dit aan? Kan ik dit doen?“ Mak: ,,We kennen allemaal Joseph Roth van a tot z. Bijna allemaal hebben we Zola gelezen“. Frank Westerman: ,,Er is geen manifest.“

De club van Brokken en Mak vormt de kern van de literaire-nonfictie-auteurs in Nederland. Hun boeken, die de werkelijkheid met literaire technieken beschrijven, zijn de afgelopen jaren zeer populair geworden en worden veel vertaald. Mak verkoopt honderdduizenden exemplaren per titel, Van der Zijl meer dan honderdduizend, de anderen tienduizenden. En er zijn navolgers, zoals Judith Koelemeijers Het zwijgen van Maria Zachea. Onlangs verscheen een familiegeschiedenis van een zekere Gerarda Mak, Alleen met velen. Het verhaal van mijn moeder, dat prompt een derde druk haalde. Uitgever De Boekerij vermoedde “een Geert Mak-effect'. De grenzen van het genre werden verder verkend door Saskia Kunst, die in het nawoord van haar boek De visvergunning van de weduwe een mysterieuze mededeling doet: “veel op de bladzijden van dit boek is waar, of zou dat kunnen zijn'.

Het traditionele onderscheid, ooit overgewaaid uit de Angelsaksische wereld, tussen “fictie' en “non-fictie' lijkt op de boeken van Mak en consorten niet goed meer toepasbaar. Non-fictie was synoniem met “feiten', ratio en het verstand - boeken die je leest om dingen te weten, om je te informeren. Fictie speelt traditioneel op het gevoel, wil dingen tonen. Bij de “literaire non-fictie' is die indeling verschoven. Wat er in de boeken staat is waar gebeurd (of zou dat moeten zijn), maar ze danken hun succes in de eerste plaats aan het gevoel dat ze bij de lezer opwekken. Daar worden de feiten, met behulp van literaire technieken, op subjectieve wijze, als een spannend of in ieder geval meeslepend verhaal, opgeschreven.

Revolutie

Schurkte de literatuur in de jaren zestig aan tegen de werkelijkheid (denk bijvoorbeeld aan de non-fictieboeken zonder literaire opsmuk over het Eichmann-proces, de provo-tijd en de Cubaanse revolutie van Harry Mulisch). Tegenwoordig is het precies andersom: de werkelijkheid wordt nu “verliteratuurd'.

Mak wilde zich, na jaren voor bladen als De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad te hebben geschreven, juist afzetten tegen het “ideologiserende'. ,,Mijn boeken zijn vooral een reactie op een al te ideologische wereld waarin ik had verkeerd. Ik wilde alleen nog maar kijken en luisteren.“ Christine Otten: “Maatschappelijke betrokkenheid geldt voor mij zeker. Ik wil de thema's die spelen in de grote wereld terugbrengen naar kleine, private verhalen, zodat die daarmee universeler worden. “

Volgens Jan Brokken is “herkenning' een belangrijke factor in de waardering van zijn boeken. Hij denkt dat de lezers een belangrijke rol bij het succes hebben gespeeld. “Ik kreeg niet veel kritieken in de kranten, je bent moeilijk in te delen: is het nou fictie of non-fictie? Desondanks pakken de lezers het op: naar hun zeggen omdat ze er zoveel in herkennen. Mijn kleine waanzin, het eerste deel van mijn levensverhaal, is nu anderhalf jaar uit en aan de zevende druk toe.“ Mak constateert dat de lezer anno 2006 vooral behaagd wil worden. “Het is een zware tijd voor journalisten, omdat de druk om fictieverhalen te produceren groot is. Je raakt heel makkelijk het zicht kwijt op wat er echt gebeurt.“

Deze schrijversclub praat met herenboeren in Groningen, vliegt naar Suriname, duikt ieder archief in om het feitenmateriaal zo kloppend mogelijk te maken: typisch non-fictie. Daarna begint het selecteren, componeren en stileren: typisch fictie. Het levert een interessant spanningsveld op: want hoe sterk mag de werkelijkheid eigenlijk worden verdicht?

Voor Mak geldt “de krantennorm': alles controleren en alleen zeggen wat je zeker weet. Mak: “In De eeuw van mijn vader beschrijf ik dat het op de trouwdag van mijn ouders regent. Dat heb ik keurig in oude berichten nagepluisd.“ De literatuur komt bij Mak vooral om de hoek kijken in de vorm. “Al te literair taalgebruik kan ook kitsch opleveren. Bij In Europa zitten de literaire ingrepen vooral in de compositie.“

Frank Westerman weet precies aan wie hij verantwoording moet afleggen als hij te veel van de feiten zou afwijken: de mensen die hij in zijn boeken opvoert: “Die moet ik onder ogen kunnen komen. Pas bij De Graanrepubliek begreep ik wat ik aan het doen was. Het is documentair, het is verhalend, maar ik heb de regie, ik zorg voor de belichting. Dat betekent dat het subjectief is en dat ik die subjectiviteit ook nastreef.“ Die subjectiviteit is onvermijdelijk, meent Brokken: “Max Frisch zei: Ieder mens verzint vroeg of laat een verhaal voor zichzelf dat hij voor zijn leven houdt''.

Christine Otten wil “gewoon lekker kunnen liegen' in haar boeken. Haar nauwkeurig gedocumenteerde boek over Amerikaanse zangers-dichters The Last Poets, De laatste dichters (2004), is voorzien van het label “roman'. “Ik wil in het hoofd van de personages zitten, dat bereik je met non-fictie niet“, aldus Otten. De “verregaande vorm van empathie' die in een roman gebruikt kan worden, vindt ze “artistiek interessanter'. Otten voelt zich meer thuis bij de roman dan bij de non-fictie. Toch is “de werkelijkheid' steevast haar inspiratiebron. “Die heeft urgentie. Ik vind het spannender te schrijven over dingen die echt zijn gebeurd. Ik ga de werkelijkheid te lijf als een romanschrijver.“

Zo heeft iedere succesvolle non-fictieauteur zijn eigen methode. Brokken ziet ook wel verbindende elementen tussen de auteurs van literaire non-fictie. “De schrijvers ervan zijn vaak links en bijna altijd afkomstig uit de journalistiek. Daardoor hebben ze aan den lijve ondervonden hoe fictief de werkelijkheid is, ze denken: laten we subjectief zijn en dat gebruiken.“

Couperus

De verhalende journalistiek die gebruik maakt van literaire technieken is eigenlijk van alle tijden, vertelt Mak, die Joseph Roth, maar ook Louis Couperus en Johan Huizinga noemt. In de periode na de Tweede Wereldoorlog maakte de non-fictie in Nederland een moeilijke tijd door, aldus Mak: “Maar sinds de jaren zeventig waren journalisten als Koos van Zomeren, Gerard van Westerloo en Elma Verhey alweer aan het experimenteren met journalistieke vormen. Ze deden goed onderzoek, maar ze keken ook naar de stijl en de vorm.“

Tot diep in de jaren tachtig boden bladen als Vrij Nederland en de Haagse Post een podium voor de experimentele literaire non-fictie van journalisten als Mak, H.M. van den Brink en Lieve Joris. “Toen die bladen gingen bezuinigen, moesten we ons heil ergens anders zoeken“, aldus Mak. Emile Brugman richtte in 1991 het tijdschrift Atlas op, de Nederlandse tegenhanger van Granta, het beroemde Engelse non-fictietijdschrift van Bill Buford, die zich op zijn beurt weer bediende van de technieken van het Amerikaanse New journalism. Mak: “Brugman heeft een enorme rol gespeeld in het stimuleren van de literaire non-fictie in Nederland.“

,,Alles kan, dat maakt het zo leuk“, zegt Mak nu. Hij wijst wel op een gevaar: “Het is essentieel dat een auteur verantwoording aflegt.“ Is het gebaseerd op feiten, of ontsproten aan de geest? Als voorbeeld noemt hij de citaten van de antropoloog Crapanzano, die Adriaan van Dis zonder bronvermelding verwerkte in zijn boek Het beloofde land (1990), met een pijnlijke plagiaatbeschuldiging als gevolg. Mak: “Of iets fictie of non-fictie is dondert niet, maar je moet het wel goed aangeven.“

De synthese tussen de fictie en de non-fictie is anno 2006 een van de populairste boekengenres. Niet verwonderlijk. In Raster (1993) verwoordde Geert Mak het zo: “Mensen hebben altijd verhalen willen horen, bedachte verhalen en werkelijk gebeurde. Mensen hebben altijd mee willen leven, mee willen voelen. En welke schrijftechnieken zijn daar beter voor geschikt dan die van de fictie? En welk verhaal is sterker dan de werkelijkheid?'

    • Ward Wijndelts