Bezetten doe je op maat

Met bajonetten alleen is het moeizaam heersen. Dat ervaren de Israëliërs dagelijks in Palestina, maar hetzelfde geldt voor de Russen in Tsjetsjenië of de Amerikanen in Irak. Een vreemde overheerser kan zijn heerschappij slechts handhaven als hij de bevolking uit de door hem bezette gebieden tot een of andere vorm van collaboratie kan bewegen. Zo luidt de centrale gedachte van Vreemde overheersing. Bezetten en bezetting in sociologisch perspectief. De auteur, emeritus hoogleraar sociologie C.J. Lammers, schetst in dit werk de contouren van een bezettingssociologie. Het is een ambitieuze poging om greep te krijgen op het verschijnsel “bezetten' in heden en verleden.

De instrumenten die een bezetter tot zijn beschikking heeft om een overwonnen bevolking op enigerlei wijze tot medewerking te masseren, variëren volgens Lammers van dwang- en lokmiddelen tot het uitoefenen van gezag. De steun van loyale elites (die leunen op de nieuwe machthebbers) of inheemse elites (die hun gezag ontlenen aan de bevolking) is daarbij onontbeerlijk.

Voor zijn denkkader gaat Lammers te rade bij zijn oude vakgebied, de organisatiesociologie. In zijn optiek is een bezettende macht namelijk een groep organisaties. Deze bestuurt een onderworpen gebied door bestaande infrastructuur zoveel mogelijk naar eigen hand te zetten. Dergelijke processen tussen deze organisaties verklaart Lammers aan de hand van de interorganisationele theorie. Deze theoretische beschouwingen legt hij ter overweging aan de lezer voor in de vorm van “globale schetsen' .

Lammers illustreert zijn these rijkelijk aan de hand van voorbeelden uit de geschiedenis en - minder uitvoerig - de actualiteit. Hij meandert door 500 jaar Nederlandse geschiedenis en zoekt daarbij naar patronen in overheersingen. Daarnaast vergelijkt hij bezettingsstijlen van het Nederlandse, Franse en Britse koloniale systeem, staat hij stil bij processen van collaboratie en verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog en betrekt hij zijdelings de vredesmissies in Kosovo, Irak en Afghanistan bij zijn vertoog. Ook deze laatste operaties zijn volgens Lammers vormen van bezettingen.

Lammers hanteert een helikopterperspectief, maar daalt ook af tot microniveau en plaatst dit alles in een theoretisch kader. Die brede benadering dwingt in eerste instantie respect af. Bezettingen, zo leert Vreemde overheersing, zijn er in alle soorten en maten. Neem bijvoorbeeld de Nederlandse geschiedenis. Voor de Tweede Wereldoorlog toont Lammers aan dat toonaangevende figuren in openbaar bestuur en bedrijfsleven aanvankelijk het Duitse gezag aanvaardden en bereid waren tot “loyale' samenwerking om continuïteit en orde en rust te garanderen. Naarmate de oorlog vorderde, het overwinningsperspectief in een dreigende nederlaag keerde en de bezetter onbarmhartiger ging optreden, verdampte deze accommoderende houding. Met de nederlaag van het Derde Rijk in 1945 waren de rollen omgedraaid. Van bezette mogendheid stelde Nederland zich op als bezetter: de regering ontvouwde plannen om Duitse gebieden te annexeren. Veel is er niet van gekomen. De oorspronkelijke aanspraken op tienduizenden vierkante kilometers Duits grondgebied verschrompelden tot minimieme grenscorrecties en de annexatie van de plaatsjes Elten en Tudderen werd in 1963 ongedaan gemaakt.

Naast dergelijke “annexatiebezettingen' karakteriseert Lammers het optreden van de Republiek der Zeven Provinciën in de Generaliteitslanden begin 16de eeuw als een vorm van bezetting. De huidige provincies Brabant en Limburg werden als veroverd gebied beschouwd en de inwoners behandeld als tweederangsburgers. Ook overzee ontpopten de Nederlanders zich als bezetters. Nederland heerste tot ver in de 20ste eeuw over een uitgestrekt koloniaal rijk, een vorm van bezetting die primair werd ingegeven door handelsoverwegingen en exploitatie van wingewesten. Het onderliggend patroon was er een van indirect bestuur via inheemse elites met een minimum aan dwang, uitzonderingen daargelaten, zie het forse optreden in Atjeh. Deze aanpak stond in schril contrast tot de directe, autoritaire en centralistische Franse koloniale stijl. Overigens maakt Lammers duidelijk dat dergelijke verschillen in bezettingsregimes niet zozeer het gevolg zijn van rationele keuzes maar veeleer van historisch gegroeide stijlen van bestuur.

De laatste decennia manifesteert Nederland zich via de zogeheten “heilzame bezettingen', onder de vlag van de Verenigde Naties of de NAVO. Omdat er de facto ook organisatorische en bestuurlijke taken mee verbonden zijn, karakteriseert Lammers ze als bezettingen. De stabilisatiemacht waar Nederland in Irak zijn medewerking aan verleende was niet zozeer bedoeld als een instrument van bezetting, maar kende veeleer het karakter van een hulporganisatie die de voorwaarden voor wederopbouw schiep en stabiliteit en veiligheid creëerde. Hetzelfde gold en geldt voor Afghanistan. En volgens de nationale traditie wat betreft bezettingen - uitzonderingen wederom daargelaten - treden Nederlanders in dergelijke omstandigheden met overleg op.

Lammers' studie levert door het diepe historische en geografische perspectief interessante vergezichten op, al zijn deze soms erg verspreid. Problematischer is het inflatoire gebruik van het begrip “bezetten', dat door de diverse categoriseringen en brede historische toepassing verwatert. Ten slotte zijn alle hoofdstukken bewerkingen van vanaf eind jaren tachtig verschenen artikelen. Vreemde overheersing is in dit opzicht oude kost. En het is jammer dat de recente geschiedenis - de interventies in Kosovo, Afghanistan en Irak - behalve in de de slotbeschouwing nauwelijks aan bod komt.

C.J. Lammers: Vreemde overheersing. Bezetten en bezetting in sociologisch perspectief. Bert Bakker, 376 blz. euro 24,95