Zachte drang tegen Iran kan niet zonder stok

De eenzijdige verbreking door Iran van de verzegeling van zijn fabrieken voor uraniumverrijking roept ernstige twijfel op over de Europese poging om de wereld te laten zien dat grote conflicten te beëindigen zijn met multilaterale onderhandelingen en subtiele diplomatie, zonder dreigementen, laat staan gebruik van geweld. Sinds de inval in Irak hebben tal van Europese intellectuelen en gekozen functionarissen strenge kritiek uitgeoefend op de regering-Bush, wegens haar eenzijdige en intimiderende benadering van de wereld. Het gebruik van “zachte drang' was de grote mode. Het buitenlands beleid moest berusten op wettige maatregelen en de “macht van de aantrekkingskracht' - de power of attraction zoals omschreven door Joe Nye jr., de vermaarde pleitbezorger van de term. Landen moesten niet zozeer gedwongen als wel overtuigd of aangemoedigd worden om te handelen volgens de gevestigde internationale normen.

Iran heeft het spel een tijdje meegespeeld; het stelde verdere onderhandelingen voor, opperde nieuwe voorstellen en won tijd voor zijn atoomontwikkeling (onder meer wellicht dankzij een clandestien programma), terwijl het de Europeanen aan het lijntje hield. Nu lijkt zelfs Iran er genoeg te hebben en wijkt het openlijk af van zijn eerdere internationale verplichtingen.

Nu kan men zeggen dat de verbreking van de zegels slechts een poging is om de inzet te verhogen voordat een definitieve regeling wordt bereikt. Maar er is geen aanwijzing dat Iran zelfs maar bereid is zijn atoomprogramma te beperken als de levering van splijtstof door een internationaal consortium wordt gewaarborgd. (Dit idee veronderstelt dat Iran verrijkt uranium uit het buitenland ontvangt in plaats van het zelf te produceren, zodat het alle energie zal kunnen opwekken die het wil - volgens Iran zijn enige doel - zonder het materiaal te kunnen wegsluizen dat nodig is om een bom te maken. De internationale leveranciers van verrijkt uranium zouden dan zorgen dat het alleen wordt gebruikt voor vreedzame doeleinden en het kernafval weer afvoeren, want ook dat is materiaal om bommen van te maken).

De grenzen van de zachte drang tekenen zich nog scherper af doordat de Europeanen, die in de omgang met Iran het voortouw hebben genomen, niet goed weten hoe ze verder moeten. Economische sancties - in tegenstelling tot economische prikkels zoals kredieten en gunstige handelsvoorwaarden - zijn strafmaatregelen en kunnen geen zachte drang worden genoemd. Bovendien zijn ze moeilijk blijvend en doeltreffend op te leggen.

Om tot economische sancties te komen moet het IAEA, het Internationale Atoombureau, de zaak aan de VN-veiligheidsraad voorleggen; maar daar zien de 35 leden van de raad tegenop. En in dat geval kan China nog altijd de benodigde resoluties van de raad blokkeren of afzwakken. Mochten er sancties worden opgelegd, dan leert de ervaring dat deze vaak eerder de smokkelaars verrijken dan de betrokken regeringen in het nauw brengen, en dat eerder de bevolking lijdt dan de elite. Iran, dat overstroomd wordt door oliedollars, staat sterk tegen mogelijke sancties omdat het ze door geen olie meer te leveren ook zelf kan opleggen.

Er zal dus óf militair geweld moeten worden gebruikt, óf, als dit onpraktisch is, Iran zal een volwaardige kernmacht worden. In beide gevallen wordt duidelijk wat zachte drang waard is: het is als zodanig een zeer ontoereikend instrument in de internationale betrekkingen. Net als een harde hand het beste werkt als die eerst gepaard is gegaan met zachte drang, zo blijkt het ook andersom te zijn: zachte drang werkt veel beter als bekend is dat een harde hand kan volgen als verder alles is mislukt. Er is ruimte om veel meer te vertrouwen op wettige internationale instellingen, op bondgenoten en op diplomatie dan de regering-Bush heeft gedaan. Maar er is een nog veel grotere behoefte aan een krachtige stok achter de deur dan de Europeanen hebben willen erkennen.

Iran is niet het eerste voorbeeld. De VN hebben honderden resoluties aangenomen waarmee landen werden berispt, maar vaak zijn deze vrijwel zonder gevolgen moedwillig genegeerd omdat de VN zelf zo moeilijk met harde hand kunnen optreden. Zo hield de slachting in Oost-Timor pas op toen de Australische troepen tussenbeide kwamen.

De tijd is gekomen dat de Europeanen hun superioriteitsgevoel inslikken en erkennen dat ze moeten samenwerken met de VS als ze een nucleair Iran willen tegenhouden en de vele andere internationale uitdagingen willen aangaan die niet met zachte drang alleen zijn op te lossen.

Amitai Etzioni is hoogleraar internationale betrekkingen aan de George Washington-universiteit en schrijver van “From Empire to Community' (2004).