Voorkom willekeur in de zorg

In de discussies over de Wet Maatschappelijke Ondersteuning worden principiële keuzes ten onrechte uit de weg gegaan, betoogt Hilde van Dijk.

Aan de vooravond van het Kamerdebat over de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), aanstaande maandag, is de discussie over het individuele recht op zorg in alle hevigheid losgebarsten. De WMO biedt gemeenten veel vrijheid om zelf te beslissen welke voorzieningen worden aangeboden. Het gaat niet alleen om voorzieningen voor ouderen, gehandicapten en chronisch zieken, maar ook voor jongeren zonder opleiding of werk of voor bewoners die hun eigen wijk willen inrichten. Alle beleid dat tot doel heeft mensen aan de maatschappij deel te laten nemen of hun zelfstandigheid te laten behouden, valt straks onder de WMO. Gevolg is dat het recht op bepaalde AWBZ- of WVG-voorzieningen vervalt, omdat gemeenten daarover zelf mogen beslissen. Bij nogal wat mensen bestaat de angst straks overgeleverd te zijn aan de willekeur van gemeentebesturen met als gevolg dat zij niet meer de thuiszorg, de rolstoel en de traplift krijgen die nodig zijn voor een zelfstandig bestaan.

Een deel van de Kamer deelt die angst. Om te voorkomen dat als gevolg daarvan het wetsvoorstel sneuvelt, is staatssecretaris Ross de Kamer enkele maanden geleden voor een deel tegemoetgekomen: gemeenten blijven voor een periode van twee jaar verplicht om bepaalde voorzieningen die uit de AWBZ worden gehaald, de thuiszorg met name, te verstrekken.

Maar waar de discussie werkelijk over moet gaan is de vraag waar de op zich gewenste gemeentelijke vrijheid om maatwerk te leveren voor de eigen bevolking omslaat en verandert in willekeur.

In de toekomst zal het vaker voorkomen dat wetten alleen de hoofdlijnen van beleid vastleggen en de concrete invulling wordt overgelaten aan gemeenten. Dat zal er toe leiden dat per gemeente verschillen ontstaan in het voorzieningenniveau. In de Nederlandse gelijkheidscultuur betekent dat een enorme omslag in denken.

De politiek moet in de discussie over de WMO dus eerst erkennen dat gelijkheid niet altijd meer het uitgangspunt van beleid kan zijn, zodat vervolgens gekeken kan worden naar de grenzen van (on)gelijkheid.

Dat de WMO een schoolvoorbeeld is van het type wetgeving dat in de toekomst vaker zal worden toegepast, heeft te maken met een aantal ontwikkelingen. Maatschappelijke vraagstukken zijn complex, veranderen snel en kunnen niet meer voor een langere periode in gedetailleerde wetten worden vastgelegd. De “klassieke' overheid kan problemen niet langer oplossen door regels vast te stellen en die uit te voeren, maar heeft de samenwerking met het maatschappelijk middenveld en commerciële partijen nodig. Dat vereist wetgeving met ruime marges. De ruimere marges zijn niet alleen nodig voor de overheid, maar ook voor de bevolking die maatregelen wil die beter zijn toegesneden op de uiteenlopende individuele behoeften. Daarom is het ook goed dat gemeenten meer verantwoordelijkheden krijgen. Die kennen de wensen van hun inwoners beter dan de centrale overheid.

De spanning zit echter in de vraag wanneer die vrijheid voor gemeenten leidt tot willekeur en onrechtvaardigheid. Wanneer is gedetailleerde wet- en regelgeving wél noodzakelijk en wanneer volstaan wetten op hoofdlijnen?

De volgende criteria kunnen daarbij helpen .

Gekeken moet worden naar de betekenis van voorzieningen voor de individuele kwaliteit van leven. Naarmate de voorziening meer ingrijpt in het persoonlijk leven van een individu, zijn we minder bereid verschillen te tolereren. Voor dergelijke voorzieningen is de beleidsvrijheid van gemeenten gering of zelfs afwezig.

Een ander criterium is de onontkoombaarheid van een voorziening: hoe specifieker de behoefte of de afhankelijkheid van één type voorziening, des te geringer is de mogelijkheid van de overheid om aan die verstrekking te ontkomen.

Een derde criterium is het zogeheten “stemmen met de voeten'. Is het redelijk te verwachten dat mensen verhuizen wanneer de ene gemeente een bepaalde voorziening wel verstrekt en de andere niet? Als stemmen met de voeten onaanvaardbaar wordt geacht, moeten mensen ervan uit kunnen gaan dat zij overal ongeveer hetzelfde voorzieningenniveau aantreffen. Ook dan is er geen sprake van beleidsvrijheid van gemeenten.

4. De beleidsvrijheid wordt groter naarmate de keuzevrijheid van individuen groter wordt en de gemeente in staat is verschillende alternatieven te bieden met een vergelijkbare werking.

Wanneer deze criteria worden toegepast op de WMO moet de conclusie luiden dat gemeenten alleen beleidsvrijheid moeten krijgen voor die onderdelen van de WMO waar alternatieve voorzieningen of keuzevrijheid van personen mogelijk zijn. Dat zouden gemeenten en rijk ook zelf moeten aantonen. Waar het gaat om onontkoombare voorzieningen en voorzieningen die de kwaliteit van leven sterk beïnvloeden, en de overheden kunnen bovendien niet aangeven dat gelijkwaardige alternatieven voorhanden zijn, dan moet het individuele recht op zo'n voorziening blijven bestaan óf die voorziening wordt voor iedereen afgeschaft. Het rijk blijft verantwoordelijk voor de keuze en voor de verstrekking van deze voorzieningen.

Wat nu gebeurt is dat mensen de politiek proberen te overtuigen van de ernstige gevolgen van het verlies van bepaalde voorzieningen (overigens terecht: aan de invoering van de WMO is een impliciete bezuiniging gekoppeld), terwijl het kabinet blijft wijzen op het belang van gemeentelijke beleidsvrijheid. Maar intussen worden principiële keuzes niet gemaakt.

Drs. Hilde van Dijk is adviseur van de Raad voor het openbaar bestuur.