IVF-selectie embryo moet mogelijk zijn

Bepaling van genetische eigenschappen bij een IVF-embryo, zogenoemde embryoselectie, moet worden toegestaan als dat dodelijke ziekten kan voorkomen of genezen.

Dat schrijft de Gezondheidsraad in een gisteren aan staatssecretaris Ross-van Dorp (volksgezondheid) uitgebracht advies.

De raad noemt verschillende voorbeelden van toegestane embryoselectie. Ouders met een doodziek kind dat bijvoorbeeld te redden is door de geboorte van een broertje of zusje met gewenste erfelijke eigenschappen, mogen in een IVF-procedure een geschikt embryo laten uitzoeken.

Ook ouders die al een kind hebben verloren aan een erfelijke ziekte, mogen het embryo van een volgend kind laten onderzoeken op die ziekte. En als het embryo “aangedaan' is, mag het, vindt de Gezondheidsraad, vernietigd worden, om te voorkomen dat er opnieuw een ten dode opgeschreven kind wordt geboren.

De genetische techniek moet verboden blijven, vindt de Gezondheidsraad, voor bijvoorbeeld selectie van het geslacht van de baby en voor selectie op spierkracht voor sportprestaties.

Embryoselectie gebeurt door een normale reageerbuisbevruchting (IVF) te onderbreken voor genetisch onderzoek aan het embryo. Bij IVF wordt een eicel van de toekomstige moeder bevrucht met zaadcellen van de vader. Daaruit groeit een embryo. Bij pre-implantatie genetische diagnostiek (PGD) -- de techniek bij embryoselectie - verwijdert een laborant één cel van een embryo als dat ongeveer acht cellen groot is. Dat heeft geen invloed op de groei van het kind.

Genetisch onderzoek van de weggenomen cel wijst vervolgens uit of het embryo een ziekmakend gen bevat, of gewenste kenmerken van het afweersysteem heeft. Zo is geboorte van een ziek kind te voorkomen. En zo kan een kind geboren worden van wie het navelstrengbloed bruikbaar is voor een zieke, oudere broer of zus die bijvoorbeeld aan leukemie lijdt.

PGD wordt experimenteel uitgevoerd aan de universiteit van Maastricht. De Gezondheidsraad vindt een tweede centrum nodig.