Het stadhuis kiest straks de steunkousen

Volgende week moet de Tweede Kamer de knoop doorhakken over de Wet maatschappelijke ondersteuning. Gemeenten worden verantwoordelijk voor de zorg voor hulpbehoevenden. Maatwerk of verwaarlozing?

In 2008 zal Nederland worden opgeschrikt door een reeks aan berichten over oude mensen die al weken dood zijn omdat niemand meer naar ze omkijkt. Dat doemscenario schetste oud-Kamerlid Evelien Tonkens enkele weken geleden naar aanleiding van de geplande invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Deze wet, waar de Tweede Kamer volgende week een besluit over wil nemen, maakt gemeenten financieel en praktisch verantwoordelijk voor de ondersteuning, begeleiding en huishoudelijke verzorging van kwetsbare groepen in de samenleving. Gevolg, denkt Tonkens: gemeenten zullen - onder het mom van eigen verantwoordelijkheid aan de burgers geven - van jaar op jaar op deze zorgpost gaan bezuinigen.

Onzin, zeggen de voorstanders van de wet. De voorgestelde overheveling van taken naar de gemeenten zal er voor zorgen dat er straks eindelijk “op maat gesneden“ ondersteuning is voor gehandicapten, chronisch zieken, ouderen en andere kwetsbare groepen. Ze zullen precies die hulp krijgen die ze nodig hebben om mee te draaien in hun gemeenschap. Maatschappelijk isolement dreigt minder dan ooit.

Het wetsvoorstel voor de WMO zorgt al bijna twee jaar voor felle discussies in de Tweede Kamer en koortsachtige onderhandelingen tussen gemeenten, regering, zorgverlenende instellingen en patiëntenorganisaties. Waar gaat het eigenlijk om? De WMO vervangt - als hij volgens plan op 1 juli 2006 in werking treedt - de Welzijnswet, de Wet voorzieningen gehandicapten, regelingen voor de openbare geestelijke gezondheidszorg en delen van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). Zo wil het kabinet de versnippering van geld, regels en ondersteuning tegengaan.

“Iedereen moet meedoen.“ Met deze slagzin trad het tweede kabinet-Balkenende in mei 2003 aan. Deze regering vindt dat burgers de oplossing voor hun problemen veel meer bij zichzelf, en elkaar, moeten zoeken. Het wetsvoorstel WMO is opgebouwd rond deze maatschappijvisie. Bij zwakke groepen gaat het niet meer om hun beperkingen, maar om welke rol ze nog in de maatschappij kunnen spelen. De steun die ze daarvoor nodig hebben, krijgen ze niet meer vanzelfsprekend van de overheid: eerst moeten ze kijken welke “sociale relatie“ in de directe omgeving ze (gratis) wil helpen, mantelzorg dus. De gemeente mag de maatschappelijke ondersteuning naar eigen inzicht gaan organiseren - ook een stokpaardje van dit kabinet, dat vindt dat lokale overheden veel beter kunnen zien wat de plaatselijke bevolking nodig heeft dan het verre Den Haag.

Critici van het wetsvoorstel vragen zich af waarom het kabinet zoveel vertrouwen heeft in mantelzorg en vrijwilligers. Ze verwijzen naar een recent onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat 75 procent van de 3,7 miljoen mantelzorgers zich nu al licht of zwaar belast voelt. Tegelijkertijd bezuinigt de overheid op de ondersteuning van vrijwilligersorganisaties en verlangt ze van steeds meer mensen dat ze betaald werk gaan zoeken, wat het aanbod van vrijwilligers niet zal vergroten.

Dan zelfredzaamheid. Van hulpbehoevenden wordt straks verwacht dat ze in eerste instantie zelf oplossingen bedenken voor hun problemen. Pas als dat niet lukt, mogen ze aankloppen bij de overheid. “Een hoopvolle overschatting van de mogelijkheden om burgers zichzelf te laten redden“, noemde Menno Hurenkamp, hoofdredacteur van het tijdschrift voor sociale vraagstukken (TSS), het. Waarom zou juist deze groep, die het per definitie niet alleen redt, in staat zijn voor zichzelf op te komen? Daar begint de taak van de gemeenten, denkt het kabinet. Zij kennen hun burgers, zien eerder wanneer mensen hulp nodig hebben, en zullen die hulp ook beter kunnen regelen.

Het onvermijdelijke, en zelfs gewenste, gevolg van de wet is dat de kwaliteit van deze ondersteuning per gemeente gaat verschillen. Prima, zegt verantwoordelijk staatssecretaris Ross (Welzijn, CDA). Zij wil juist af van de landelijke eenheidsworst van protocollen en indicatienormen die voor iedere “soort' hulpbehoevenden precies bepaalt hoeveel uren schoonmaakhulp hij krijgt, of hij voor steunkousen in aanmerking komt, en welke rolstoel hij mag hebben. Vertrouw gemeenten maar: zij zullen in samenspraak met hun hulpbehoevenden de ondersteuning beter regelen dan het ministerie ooit zou kunnen.

De Tweede Kamer en patiëntenorganisaties hebben daar minder vertrouwen in. Tijdens eerdere debatten met de Tweede Kamer werd de staatssecretaris gedwongen een (tijdelijke) zorgplicht voor gemeenten in de wet op te nemen. Gemeenten moeten het geld dat ze uit de AWBZ voor huishoudelijke zorg krijgen, daadwerkelijk daaraan uitgeven. Ook het populaire persoonsgebonden budget, dat mensen naar eigen inzicht aan benodigde zorg kunnen besteden, blijft bestaan, al krijgen gemeenten in de toekenning wel een bepalende stem.

Mensen raken oude rechten op zorg kwijt, en moeten afwachten wat hun gemeente ervoor terug geeft. Welke uitweg is er als je in een gemeente woont waar het niet goed geregeld is?

Volgens Ross is het mooie van de WMO juist dat ontvangers van ondersteuning, veel meer dan vroeger, invloed kunnen uitoefenen. Gemeenten zijn straks wettelijk verplicht hen om advies te vragen. Ze moeten hun WMO-beleid vastleggen in verordeningen. En als het echt misgaat kunnen burgers via de lokale politiek hun recht halen.

De Raad voor Volksgezondheid en Zorg is in zijn advies over het wetsvoorstel minder optimistisch over dit correctiemechanisme. “De WMO is immers vooral bedoeld voor mensen met beperkingen, die veelal tot een minderheidsgroep behoren. Daarmee is niet per se geborgd dat hun stem voldoende vertegenwoordigd is in het lokale bestuur. Belangrijker nog: de aard van de beperking belemmert mensen soms ernstig in hun deelname aan de lokale democratie.“

Gemeenten zelf hebben ook hun problemen met de WMO. Niet met de verantwoordelijkheden, maar wel met de neiging van Kamerleden om steeds nieuwe regels en normen aan de wet toe te voegen die hun vrijheid belemmeren. Een ander bezwaar van gemeenten is dat van ze verwacht wordt “integrale“ begeleiding te bieden, maar dat ze geen zeggenschap hebben over beleidsterreinen die daar iets mee te maken hebben, zoals openbaar vervoer en de woningmarkt.

De nieuwe wet is ook bedoeld om de AWBZ te redden voor mensen die belastende en continue (onverzekerbare) hulpverlening nodig hebben. Zonder maatregelen zouden de AWBZ-premies volgens het kabinet oplopen van 13,3 procent van het inkomen tot 20,7 procent in 2020. Een deel van de financiering van de WMO komt uit oude AWBZ-gelden. Gemeenten zijn bang dat ze bij gelijkblijvende budgetten en een toenemende vergrijzing vooral de regie krijgen over de “verdeling van de armoede“. Daar hebben ze geen zin in.

    • Derk Stokmans