Bloed

De beslissing van burgemeester Cohen om de onrust onder Marokkaanse jongeren in Amsterdam in een vroeg stadium openlijk te signaleren, heeft hier en daar voor grote verwarring gezorgd. Moet hij nu geprezen of veroordeeld worden?

Het antwoord daarop is moeilijk, zo niet onmogelijk, zolang we niet weten wat de burgemeester precies weet. De signalen die ons tot dusver uit de Diamantbuurt bereiken, zijn te tegenstrijdig om tot een gefundeerd oordeel te kunnen komen. Ook bij Cohen zelf proef ik een zekere twijfel. Hij vond de kwestie ernstig genoeg om er de stadsdeelvoorzitters voor bij elkaar te roepen, maar hij noemt het overdreven als de kranten dat op hun voorpagina zetten. Dat begrijp ik goed. Enerzijds zoekt hij de publiciteit, tot aan Nova toe, anderzijds schrikt hij terug voor de effecten ervan. You can't have it all.

Zolang we niet weten wat er precies aan de hand is, zouden politici en opiniemakers enige terughoudendheid kunnen betrachten, maar daar voelen ze in ieder geval bij de GroepWilders niets voor. Leider Geert stuurde meteen een boos artikel naar de opiniepagina van de Volkskrant, waar ze tegenwoordig hun hand niet meer omdraaien voor een authentiek geluid uit het darmkanaal van de samenleving.

“De afgrijselijke incidenten in Oud-Zuid tonen duidelijk aan, welhaast ten overvloede, dat alle ingrediënten aanwezig zijn“, schrijft Wilders. Hij bedoelt een Nederlandse versie van “de bloederige rellen in de Franse banlieues“, waarnaar hij eerder in zijn stuk heeft verwezen. “Eigen onderzoek heeft de GroepWilders bovendien geleerd dat de Diamantbuurt allerminst uniek is“, aldus Wilders. Het spoedberaad van Cohen “lijkt krachtdadig“, schrijft Wilders, “maar getuigt vooral van een voortzetting van het beleid dat alle Cohens van dit land al decennialang voeren en dat juist de oorzaak van het probleem is.“

Hier krijgen we een inmiddels vertrouwd inzicht in de denktrant van de geharde tegenstanders van Cohen: wat Cohen ook doet, het deugt bij voorbaat niet. Is hij voorzichtig? Dan is hij een slapjanus. Neemt hij actie? Dan stelt het niets voor, of had hij het eerder moeten doen.

Aan het einde van zijn stuk citeert Wilders de rechtse Britse politicus Enoch Powell, die ooit de Britse samenleving een soort rassenoorlog voorspelde met de woorden: “Like the Roman, I seem to see the River Tiber foaming with much blood.“

Schuimend met veel bloed, ja, dat lijkt Geert wel wat.

Soms, als hij in zijn eentje op zijn kamer aan het Binnenhof zit, ziet hij het allemaal voor zich en dan kan hij een gevoel van voldoening niet onderdrukken. In zijn stoutste fantasieën zijn de grachten van Amsterdam in rivieren van bloed en drek veranderd. Op het IJ, in de buurt van zijn stadhuis, dobbert het vlotje van Cohen, omringd door amokmakende kutmarokkanen, die de burgemeester bespuwen terwijl ze hun jodenhaat uitschreeuwen. En hij, Geert Wilders, staat op de kade en roept: “Had maar beter naar me geluisterd, Cohen, nu is het te laat!“

Hij kijkt op zijn horloge. Helaas, hoe graag hij Cohen ook naar de bodem van het IJ had zien verdwijnen, zijn vriendenplicht roept, het is tijd om te gaan. Zijn vliegtuig wacht, hij moet naar Stockholm, waar Ayaan Hirsi Ali de Nobelprijs voor de vrede in ontvangst zal nemen.

Hij glimlacht. Wie had kunnen denken dat de ontwikkelingen in Nederland zich zozeer ten goede zouden keren? Van Aartsen heeft al gebeld. Of hij de nieuwe minister van Integratie wil worden. Van Remigratie, zal hij bedoelen. Bovendien, eerst excuses, Jozias, daarna zien we wel verder.

    • Frits Abrahams