Archeologische kansberekening

De Nederlandse archeologenwereld ruziede gisteren over een kaart. Daarop valt te lezen waar de kans op een vindplaats het grootst is. De kaart deugt niet, vinden sommigen.

,,Laten we proberen ons niet te veel door emoties te laten leiden en alleen over de inhoud discussiëren,“ roept inleider Theo Spek op bij het begin van twee lezingen bij de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in Amersfoort. Gisteren kwamen voor de 27ste keer archeologen van universiteiten, bedrijven en overheidsdiensten bijeen om te praten over de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. Maar voor het eerst was de sfeer in de zaal licht gespannen. Want het onderwerp op de agenda heeft de verhoudingen de laatste tijd vertroebeld.

Onderwerp van discussie is de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), een digitale kaart van Nederland, schaal 1: 50.000, met (licht)gele en (donker)oranje vlekken. De vier kleurschakeringen geven volgens de makers, ROB-medewerkers, zones aan waar een zeer lage, lage, middelhoge of hoge verwachting is voor een archeologische vondst.

De kaart is voor de ROB een belangrijk instrument bij de archeologische monumentenzorg. De archeologische vindplaatsen onder de grond zijn onzichtbaar voor plannenmakers. Maar met de IKAW, zo is het idee, kunnen opstellers van ruimtelijke ordeningsplannen rekening houden met eventuele vindplaatsen.

Eind jaren zeventig is men in de Verenigde Staten begonnen met predictive modelling, het maken van archeologische verwachtingskaarten. De IKAW is van later datum. De ROB publiceerde in 1997 de eerste versie en in 2002 een tweede, verbeterde versie.

Hans Kamermans van de Universiteit Leiden, één van de twee sprekers, is zeer kritisch over de IKAW. ,,Methodologisch en theoretisch deugt hij niet,“ luidt de mening van deze specialist in methoden en technieken en computertoepassingen in de archeologie. ,,Maar dat heb ik al zo vaak gezegd. Het komt me de neus uit.“

Enkele punten van Kamermans' kritiek: de ROB heeft de kaart gemaakt door gegevens van al bekende vindplaatsen te combineren met de bodemkaart en de geologische kaart van Nederland. Kwamen er veel vindplaatsen voor op dikke humushoudende lagen, dan kregen vervolgens alle dikke humushoudende lagen de verwachting hoog. ,,Maar ze hebben niet de correlatie onderzocht tussen vindplaats en bodemgesteldheid.“ Zelf heeft hij ooit als test voor Zuid-Limburg twee verwachtingskaarten gemaakt, de ene op basis van de bodemkaart, de andere op basis van de geomorfologische kaart. ,,Ze verschilden voor driekwart.“ Hij verwijt de makers ook dat ze geen culturele, sociale of economische factoren hebben meegewogen. ,,Zo liggen nederzettingen van de Bandkeramiekcultuur maximaal vijf kilometer uit elkaar. Op loopafstand, zodat sociale contacten makkelijk te onderhouden zijn.“ De IKAW maakt ook geen onderscheid in perioden. ,,Ze proberen dus met één model alle archeologie van het paleolithicum tot 1500 te voorspellen.“ Het ergste vindt Kamermans dat de kaart nooit goed is getest. ,,Hierdoor weten we dus niet eens of hij werkt.“ Wat hij wel weet, is dat iedereen die iets voorstelt op het gebied van archeologische verwachtingskaarten zegt dat de situatie in Europa te ingewikkeld is om een goede kaart te kunnen maken. ,,In de VS, waar kaarten wél voortdurend worden getest, hebben die zin, omdat ze daar alleen te doen hebben met vindplaatsen van jager-verzamelaars.“

Bij Daan Hallewas, een van de makers, schiet Kamermans' kritiek in het verkeerde keelgat. ,,Je doet alsof we hebben zitten slapen. Wij hebben een maximaal resultaat gehaald met wat beschikbaar was.“ Zijn collega's vallen hem bij: ,,De IKAW is geen predictive modelling. Daarom heet hij ook “indicatieve kaart'. Het is een instrument voor beleid.“ Kamermans: ,,Jullie presenteren de IKAW in al jullie publicaties wél als predictive modelling.“ Theo Spek, discussieleider: ,,Nu wordt het een semantische discussie.“

Philip Verhagen van de Vrije Universiteit, die de kritiek van Kamermans deelt, zegt dat de IKAW met enkele statistische methoden (resampling, Bayesiaanse statistiek en de Dempster-Shafertheorie) te verbeteren is. ,,Maar dat kost tijd en is duur. Bovendien bestaat nog altijd het risico dat een vindplaats in een gebied met lage verwachting wordt ontdekt.“

Theo Spek, onderzoeker bij de ROB, na afloop: ,,Het gaat om de spanning tussen wetenschap en haar toepassing. Ook bij interne lezingen was er kritiek op de IKAW. In de derde versie wordt wél onderscheid in perioden gemaakt. Samenwerking met de universitaire archeologen blijft dus nodig.“

    • Theo Toebosch