Uruzgan is test voor Nederlandse ambities

De kwestie-Uruzgan plaatst Nederland voor een drempel. Een strategische keuze is vereist, meent Rem Korteweg. Wat willen we nu eigenlijk met de krijgsmacht, is de vraag die boven Den Haag hangt.

De discussie rond de uitzending naar Uruzgan heeft een problematiek aan het licht gebracht die typerend is voor de huidige context waarbinnen Westerse krijgsmachten optreden. Het onderscheid tussen pure vredesmissies en pure gevechtsmissies is vervaagd. De klassieke vredesmissies, waarbij uitgezonden militairen vaak in VN-verband tussen twee strijdende partijen in gingen staan om zo de vrede te bewaren, worden steeds zeldzamer.

Tegenwoordig richt Nederland zich op zogeheten stabilisatiemissies. Deze hebben tot doel om bij te dragen aan de wederopbouw van een stabiele samenleving, die als het even kan democratisch is en de mensenrechten respecteert. Onder die noemer zijn Nederlandse militairen in het recente verleden naar Macedonië, Afghanistan en Irak gestuurd. In de komende jaren zal dit type missies ook alleen maar toenemen. Want juist deze instabiele gebieden staan centraal in de strijd tegen het terrorisme.

Zo schrijft minister Kamp in de brief aan de Kamer dat een van de hoofddoelen van de Afghanistan-missie is om bij te dragen aan de stabiliteit en ervoor te zorgen dat er in Afghanistan niet 'opnieuw vrijplaatsen ontstaan voor terreurgroepen'.

Een recente studie van het Clingendael Centrum voor Strategische Studies heeft enkele tientallen gebieden in kaart gebracht, in grootte variërend van een vluchtelingenkamp tot een heel land, waar stabiliteit ontbreekt en terreurgroepen kunnen functioneren. In deze gebieden heeft het centrale gezag nauwelijks invloed en zijn er voor gewelddadige groeperingen gunstige omstandigheden die het mogelijk maken hun strijd voort te zetten. Zo ook in Uruzgan. Wil men hier of in enig ander van deze zogeheten 'zwarte gaten' optreden, dan dient er stabiliteit gebracht te worden.

Het stabiliseren van een gebied brengt een andere rol met zich mee dan de klassieke vredesmissie. De veiligheid moet in een gebied verdiend, verkregen en gewaarborgd worden. Daarnaast moeten wederopbouwactiviteiten worden verricht om die veiligheid om te zetten in concrete economische, politieke, humanitaire en sociale vooruitgang. Het probleem is dat deze zaken tegelijkertijd dienen te gebeuren en niet in sequentie. Vertrouwen van de bevolking is cruciaal voor het slagen van de missie en daarvoor is een brede aanpak vereist.

Dit gebeurt in Uruzgan niet door, zoals de Amerikanen gedaan hebben, de activiteiten met name te richten op het opsporen van de Talibaan of Al-Qaeda. Zo hebben de Amerikanen de plaatselijke bevolking tegen zich in het harnas gejaagd. Maar vertrouwen wordt ook niet gewonnen door de mogelijke 'spoilers' van het wederopbouwproces rond te laten lopen die daardoor de bevolking kunnen blijven terroriseren, ook al zijn er nieuwe scholen, wegen en gebouwen neergezet.

Een afstemming met de Amerikanen op basis van 'good cop - bad cop', waarbij de Amerikanen opsporen en de Nederlanders opbouwen, is mogelijk maar ligt niet voor de hand en is mogelijk niet wenselijk. Waarschijnlijker is dat Nederland als het erop aankomt bereid wordt geacht om zelf eenheden in te zetten tegen dergelijke 'spoilers'. Deze bereidheid klinkt ook door in de brief van het kabinet aan de Kamer waar gesteld wordt dat 'het uitvoeren van offensieve acties nodig kan zijn voor het creëren van een veilige omgeving'.

Door die referentie naar offensief optreden zou een Nederlandse missie naar Uruzgan een nieuw hoofdstuk betekenen voor de Nederlandse krijgsmacht en het veiligheidsbeleid. Het belangrijke verschil met eerdere stabilisatiemissies is dat ze verschillend van kaliber zijn, waarbij de rol van spoilers verschilt. Zo is de missie in Uruzgan van een andere orde dan die in het veiligere Baghlan (Noord-Afghanistan) en zullen Nederlandse militairen daarom een ruimere geweldsinstructie krijgen. Toch is in beide missies stabiliteit het doel. Na in onder andere Eritrea, voormalig Joegoslavië en Noord-Afghanistan bewezen te hebben succesvol expeditionair te kunnen optreden is het nu de vraag op welk niveau Nederland expeditionaire missies wil uitvoeren. Is Nederland bereid om in een stabilisatiemissie naast de klassieke wederopbouwtaken die nieuwe rol op zich te nemen en de vijanden van de wederopbouw aan te pakken? Met andere woorden, is Nederland bereid een stabilisatiemissie met tanden neer te zetten?

De besluitvorming rond de missie in Uruzgan is een ijkpunt voor het huidige veiligheidsbeleid. Wil Nederland stabiliteit verspreiden waarbij offensief kan worden opgetreden, zoals het kabinet dat aangeeft? Gaat de missie door, dan is het een indicatie dat Nederland zichzelf een belangrijke rol toe-eigent in de huidige internationale veiligheidsomgeving. Gaat de missie niet door, dan geeft het de huidige grens van de ambitie op veiligheidsgebied aan.

Het parlement is door de kwestie Uruzgan tegen deze drempel aangelopen. Een strategische keuze met betrekking tot de inzet van de krijgsmacht is vereist. De uitkomst van het komende debat in de Kamer zal inzicht geven in de richting van de Nederlandse veiligheidspolitiek.

Rem Korteweg is als promovendus verbonden aan het Clingendael Centrum voor Strategische Studies in Den Haag.

    • Rem Korteweg