NAVO gevangen in eigen werkelijkheid

Steeds vaker willen landen bijna à la carte kiezen of en hoe ze betrokken zijn bij de NAVO. Het besef van het belang van gezamenlijk optreden dreigt verloren te gaan, vindt John Vinocur.

Mient Jan Faber, een symbool van de Europese vredesbeweging uit de jaren tachtig, betoogde onlangs op de televisie dat de inzet van Nederlandse NAVO-troepen in een gevarenzone van Afghanistan niet zozeer de Amerikaanse belangen dient als wel de veiligheid van Nederland ten goede komt. Faber, was destijds voorstander van een mislukt idee - de Europese duiven vertrouwden liever op de goede bedoelingen van de Sovjet-Unie dan op de kernwapens die de NAVO wilde plaatsen als tegenwicht voor de SS-20-raketten van Moskou.

Zo'n 25 jaar later kunnen we zijn standpunt misschien extrapoleren naar de positie die de NAVO in 2006 zou moeten innemen - als de huidige moeizame discussie onder de Nederlanders over de verantwoordelijkheden van hun land in Afghanistan voorbij is. Het gaat dan volgens tal van bondgenoten om een nieuwe identiteit van de alliantie als brede gemeenschappelijke veiligheidsorganisatie.

Ontdaan van het omslachtige jargon zou de NAVO zich ontdoen van haar oude huid, met achterlating van een lineair en statisch, op Europa gericht karakter. In haar nieuwe leven zou ze iets mobieler zijn, gedurfd en zelfs preventief optreden, met het vermogen en de wil om op vrijwel elke kust te landen.

Maar hier stuiten we op een probleem. Generaal James Jones, opperbevelhebber in Europa, zou het met me eens zijn. De NAVO zit gevangen in haar eigen werkelijkheid: sinds de val van het Sovjetrijk hebben de NAVO-leden geen vanzelfsprekende, gezamenlijke overtuiging omtrent hun missie, anders dan een soort passieve transatlantische veiligheid.

Er is geen gezamenlijke opvatting over de vraag wanneer de onveiligheid ergens in een verre streek zo gevaarlijk is dat de NAVO daarop zou moeten reageren door er troepen heen te sturen. Of waar geld vandaan moet komen om de nieuwe reactiemacht van de NAVO, die naar verwachting deze zomer operationeel zal zijn, tot meer dan een papieren idee te maken.

In het geval van de Nederlanders betreft het hun aarzeling om zich in te zetten in Afghanistan. Deze aarzeling wordt deels veroorzaakt door de aard van het gebied waar de Nederlanders zouden worden ingezet: het is waarschijnlijk dat de Nederlandse troepen ook echt zullen moeten vechten. Het probleem wordt nog verergerd door de partijpolitieke standpunten binnen een zwakke regeringscoalitie.

In Brussel baart de besluiteloosheid niet alleen zorgen omdat Nederland mede-oprichter van het bondgenootschap is, vooral doet dit Nederlandse gedoe over Afghanistan vermoeden dat iets grondig is misgegaan in het hart van de NAVO.

Ik beschouw dit als voorbode van een patroon onder de NAVO-leden die graag zien dat het bondgenootschap zich omvormt tot een organisatie waarvan de leden hun eigen mate van betrokkenheid kiezen. Het ontbreekt de NAVO tegenwoordig aan voldoende onderlinge Europese druk om te komen tot een gezamenlijk besef van noodzaak en verplichting aangaande een optreden in verre oorden.

Dit is helaas de keerzijde van het oude Europese verwijt dat de Amerikanen de NAVO als gereedschapskist gebruikten - om de moeren en bouten uit te halen die ze nodig hadden voor klusjes die de Amerikaanse belangen dienden.

Maar de kwestie van het unilateralisme in het klein of de soloacties die ingaan tegen de solidariteit en samenhang binnen de NAVO, gaat veel verder dan de Nederlanders. De miljardendeal die Spanje in november sloot over de verkoop van militaire vliegtuigen en schepen aan het Venezuela van Hugo Chávez, kwam tot stand zonder hoorbaar gesputter in Brussel. Daardoor leek het, zoals ook Chávez opmerkte, of de Europese NAVO-leden en hun fabrikanten achter deze overeenkomst stonden.

Vorige week zeiden de Verenigde Staten dat ze Spanje zouden beletten de vliegtuigen met Amerikaanse verkenningselektronica uit te rusten, maar het Spaanse ministerie van Defensie heeft de inzet verhoogd met de uitspraak dat het dan wel vervangende onderdelen zou betrekken van NAVO-bondgenoten als Italië, Frankrijk of Groot-Brittannië.

Er zijn zelfs meelijwekkende, egoïstische details: het schijnt dat Italië ergens ver weg tijdens een NAVO-missie voor 3 miljoen dollar een veldhospitaal heeft gebouwd en dat toen de opdracht erop zat weer heeft ingepakt, in plaats van het achter te laten voor lokaal gebruik.

Maar hoewel het duidelijk is dat een grotere NAVO met een bredere geografische blik meer problemen zal hebben met de samenhang en met tegenstrijdige of benepen nationale belangen, zijn er tekenen dat dit ook buiten Washington en Brussel een bron van zorg begint te worden.

De nieuwe Duitse regering van Angela Merkel heeft zich nu ook geroerd. Ze heeft zich bereid getoond te praten over wezenlijke en praktisch problemen (zoals de uitrusting van de NAVO-reactiemacht), maar heeft ook aangegeven dat ze binnen de NAVO een discussie wil over kwesties als de verkoop van militair materiaal aan Chávez of aan de Chinezen.

Eind 2006, nadat de NAVO-leiders in november bijeen geweest zijn op een top in het Letse Riga, zal worden beoordeeld hoever het bondgenootschap is gekomen met de vaststelling van haar nieuwe bestaansreden in het licht van duidelijke en gerichte actie.

Het zou zijn eerste concrete stappen kunnen zetten ter ontwikkeling van de instructie voor de bestrijding van het terrorisme, die al in 2002 is goedgekeurd. Het zou met een interventiemacht actief en krachtig kunnen optreden op het terrein van crisispreventie. Het zou kunnen beginnen met de bescherming van kritieke infrastructuur als de Europese aardgasleidingen en het zou in verre streken de bescherming van de energievoorraden op zich kunnen nemen.

Over dit alles bestaat geen enkele zekerheid. Niet binnen een NAVO waarvan de leider, de Verenigde Staten, maar gedeeltelijk succes heeft geboekt in Irak. En ook niet binnen een organisatie waarvan de Europese leden een defensiebegroting hebben die stilstaat of achteruitgaat.

In psychologisch niet binnen een bondgenootschap waarin een overwegend christen-democratische Nederlandse centrumregering niet de besluitvaardigheid heeft kunnen opbrengen om 1.200 man op een Afghaanse missie te sturen, samen met Australische, Canadese en Amerikaanse soldaten, omdat ze daar wel eens gevaar zouden kunnen lopen.

John Vinocur is columnist van de International Herald Tribune.© NY Times

    • John Vinocur