Collega's

Zomaar een kwartiertje stilstaan in de metro, dat is goed voor een mens. Hij komt tot zichzelf, beziet zijn lot en trekt kardinale conclusies die zijn levensloop nog lang zullen beïnvloeden.

Waar stonden we ook weer? Bovengronds, vlakbij station Overamstel aan de zuidrand van Amsterdam. De ochtendspits was al achter de rug, maar toch was het nog erg druk in de trein. We stonden doodstil, zonder te weten waarom, want de bazen van het openbaar vervoer in Nederland vinden dat ons dat geen donder aangaat. De tijd verstreek, zoals de tijd dat meestal doet.

Mijn raampje bood uitzicht op een instituut waarmee ik vele vrije uren heb doorgebracht: het Meertens-Instituut uit de boeken van J.J. Voskuil. Ja, Het Bureau dus. Wat deed het daar in die onverschillige omgeving van bedrijfsterreinen?

Het zal meer ruimte nodig hebben gehad dan vroeger, toen Voskuil er nog werkte. Maar voor mij als lezer was het een vloek, dat platte, dozige gebouw daar, dat zo weinig sfeer uitstraalde in vergelijking met het vroegere, stijlvolle pand aan de Keizersgracht. In Het Bureau hoort het 's ochtends schemerig te zijn, in de portiersloge brandt nog het licht als Maarten Koning binnenkomt en 'zijn bordje inschuift', voordat hij de krakende trappen naar zijn kamer beklimt.

Om mij heen begonnen vooral de staande passagiers los te komen in spontane small talk. ,,Mijn vader maakt geld uit niks', zei een dik meisje in spijkerbroek tegen een vriendin. ,,Als je met een bankbiljet voor zijn ogen wappert, wordt 'ie gek. Hij heeft net weer een loods met meubels leeggehaald. Daar kunnen we minstens een jaar van eten.'

Was het maar voor iedereen zo gemakkelijk - dan zou het leven er een stuk aangenamer op worden. Geen stress meer, geen broodnijd, geen wanhopige strijd om het bestaan. De jonge Engelsman tegenover mij zou er wel voor te porren zijn. Hij was in druk gesprek gewikkeld met een iets oudere landgenoot-collega, die naast hem in het gangpad stond. Ze werkten kennelijk bij een Nederlandse vestiging van een Engels bedrijf in Amsterdam.

De jonge Engelsman droeg een rode trui onder een zwart, leren jack, zijn gezicht had harde, bezorgde trekken. Hij trok pas mijn aandacht toen ik hem hoorde zeggen: ,,I'm fuckin' sick.' Hij bleek geen griep onder de leden te hebben, maar een volledig gebrek aan arbeidslust. Als de treindeuren geopend hadden kunnen worden - we stonden en zaten er nu bij als gevangenen aan de 'chain gang' - dan was hij het liefst weggerend, het nabije niemandsland in.

De oorzaak leek me in zijn geval van structurele aard. ,,I've been bluffed by a bluffer', zei hij, ,,I should have been smarter.''

Al meteen bij zijn entree in het bedrijf was het misgegaan, vertelde hij zijn collega, die geestdriftig luisterde, zoals je altijd doet wanneer iemand over zijn nederlagen vertelt. Het pad van zijn loopbaan was versperd door een oudere collega, die in hem een bedreiging had gezien. ,,He stitched me before I stitched him', zei hij. Om er moedeloos aan toe te voegen: ,,And now it's too late.'

Ik keek weg van zijn doorstoken lichaam en dacht weer aan de boeken van Voskuil, waarin het al allemaal beschreven stond.

    • Frits Abrahams