Open markt: ja tenzij

De secretaris-generaal van Economische Zaken, J.W. Oosterwijk, heeft in zijn traditionele Nieuwjaarsartikel in Economisch-Statistische Berichten een dapper pleidooi gehouden voor verdere opening van de Nederlandse economie. Dapper omdat liberalisering op dit moment weinig populair is. Er zijn nog veel terreinen waar in de termen van Oosterwijk de 'insiders' hun belangen met succes afschermen tegen 'outsiders' die tot de markt willen toetreden. Ten bate van concurrentie, keuzevrijheid en economische groei moeten die insiders hun bevoorrechte positie opgeven. In de telecommunicatie heeft dat maatschappelijk voordeel opgeleverd. Liberalisering van de economie is gewenst - indien mogelijk en goed geregeld.

De publieke weerzin tegen liberalisering is niet enkel een kwestie van goedkoop sentiment en kortzichtigheid. De overheid heeft in het verleden fouten gemaakt door niets te regelen bij de privatisering, zodat publieke monopolies (spoor, kabel) in private of verzelfstandigde monopolies werden omgezet waar niemand greep op had. Dat is allesbehalve marktwerking en levert ook op de lange termijn geen voordeel op. Het kost veel moeite om de fouten recht te zetten. Om marktmisbruik te voorkomen, zijn vaak meer regels en administratieve lasten nodig dan bij het oorspronkelijke overheidsmonopolie. Zodra de overheid een deel van de markt subsidieert, is de markt niet meer zo vrij als die van auto's of computers. Integendeel, er moet veel geregeld worden. Wat moet de subsidiërende overheid eisen van nieuwe instellingen die toetreden op de markt van hoger onderwijs? In het pleidooi voor verdere opening van de markten ontbreken de te stellen voorwaarden en een analyse van de gemaakte fouten in het verleden.

Oosterwijk heeft gelijk door te stellen dat de woningmarkt op slot zit. Er wordt te weinig gebouwd, en er zijn lange wachtlijsten voor outsiders, terwijl welgestelde insiders worden gesubsidieerd met hypotheekrente-aftrek of lage huren, zodat die laatste groep niet doorstroomt naar duurdere woningen. Maar Oosterwijk mijdt in zijn bespreking de schadelijke insiders-positie van de woningbouwcorporaties. In het verleden heeft de overheid de zeggenschap over sociale woningbouw overgedragen aan deze instellingen. Zij mochten bouwen met op de vrije markt verdiend geld. Met hun activiteiten op de vrije woningmarkt zitten de corporaties buitenstaanders in de weg, terwijl ze aan hun sociale taak van het bouwen voor minvermogenden te weinig toe komen. Europees Commissaris Kroes heeft daar met reden bedenkingen tegen geuit. Maar in hoeverre kan de overheid de corporaties nog dwingen om sociaal te bouwen? Of moet de overheid de sociale woningbouw voortaan ook aan andere private partijen overlaten en daarmee afzien van het publieke kapitaal van de corporaties? Het zijn impasses waar geen eenvoudig antwoord op is te geven.

Bij verdere opening van de markt moet de overheid leren van de gemaakte fouten. Pas dan ontstaat er voordeel op de lange termijn. Publieke steun moet worden verdiend. Open de markten: ja, tenzij. En het probleem zit 'm in dat tenzij.