Beetje bewegen verlaagt al kans op Alzheimer

65-plussers die driemaal per week minstens een kwartier bewegen, verlagen hun risico op de ziekte van Alzheimer met ruim eenderde. Dat schrijven onderzoekers uit het Amerikaanse Seattle.

De publicatie verschijnt vandaag in het medische tijdschrift Annals of Internal Medicine. Dat bewegen het ontstaan van Alzheimer voorkomt of uitstelt, was wel vaker in onderzoek gevonden. Maar het was steeds de vraag wat oorzaak en wat gevolg was. De ziekte van Alzheimer ontwikkelt zich jaren voordat de geheugenproblemen duidelijk worden. Het kon zo zijn dat mensen met beginnende geheugenproblemen minder de neiging hebben om te bewegen en er op uit te trekken. Bijvoorbeeld omdat ze moeite krijgen met de planningstaken die horen bij sporten en bewegen.

Bewegen is hiermee de enige preventieve maatregel tegen Alzheimer. Van geheugentraining, het oplossen van puzzels of schaken of bridgen is nooit aangetoond dat het Alzheimer uitstelt. Voor zover er onderzoek naar is gedaan, speelt het oorzaak-gevolg-probleem daar ook volop: mensen met lichte geheugenproblemen houden op met puzzelen.

In dit nieuwe, grote onderzoek is geprobeerd die kip- of ei-kwestie zo goed mogelijk te ondervangen. Van de 1740 deelnemende 65-plussers (gemiddeld rond de 73) is zes jaar bijgehouden wie er dement werd. De deelnemers deden van tevoren een geheugentest. De mensen die laag scoorden op die test en wellicht al beginnende geheugenproblemen hadden, werden uitgesloten van deelname. De onderzoekgroep bestond voornamelijk uit blanke, hoogopgeleide ouderen die, vergeleken met hun leeftijdgenoten, ook vrij veel aan lichaamsbeweging deden.

In zes jaar tijd kregen 158 van de 1740 deelnemers meetbaar last van dementie. Onder ouderen die minstens driemaal per week actief waren, sloeg Alzheimer veel minder vaak toe dan onder stilzitters.

Licht of matig inspannend bewegen is genoeg, voor ouderen. Wandelen, fietsen, zwemmen, wateraerobics, trainen met gewichten, rek- en strekoefeningen of andere lichaamstrainingen werden allemaal meegeteld als bewegen.

Dit soort statistische verbanden worden pas geaccepteerd als er een bevredigende uitleg is. In dit geval zijn er twee verklaringsmodellen. Mensen die bewegen, houden een betere bloeddoorstroming. Dat kan invloed op de hersenen hebben. Moderner is de verklaring die zegt dat bij ouderen die in beweging blijven de groei van nieuwe hersencellen in de hippocampus - het hersencentrum waar het leren begint - beter op peil blijft.