Streng voor de pabo

Om moedeloos van te worden: de jaarlijks terugkerende berichten over de kwaliteit van de pabo's, de lerarenopleidingen voor het basisonderwijs. Elk jaar opnieuw valt te beluisteren dat de leraren die daar worden opgeleid vele gebreken vertonen: de ene keer dat ze niet kunnen spellen en nu weer dat ze niet kunnen rekenen.

Ook de reacties op deze berichten vanuit de politiek zijn ieder jaar hetzelfde: het probleem zal voortvarend worden aangepakt, er zullen striktere eisen worden gesteld en wie niet goed genoeg is moet de opleiding verlaten of, erger nog, mag die niet eens binnen komen.

Vanuit de pabo's daarentegen worden altijd weer verzachtende omstandigheden aangevoerd. Bijvoorbeeld dat men uit sociale overwegingen wel eens een oogje dichtknijpt bijvoorbeeld als het gaat om allochtonen, of dat ze toch niet alles hoeven te leren in de opleiding want we huldigen toch het principe van permanente educatie; en hoe kun je in vier jaar goede leraren afleveren als de vooropleidingen zo slecht zijn; bovendien, leraren hoeven toch niet alles te kunnen, je moet ze alleen laten doen waar ze sterk in zijn.

Wat dit laatste betreft: dat is waar. Vroeger hadden we als aparte categorie de kleuterleidsters. Toen de kleuterschool werd samengevoegd met de lagere school om samen de basisschool te gaan vormen, werden de kleuterleidsters tot onderwijzer gepromoveerd. Deze maatregel, die geen enkel inhoudelijk doel diende, was uitsluitend het gevolg van de bureaucratische behoefte om het organisatorische plaatje van één basisschool passend te maken: één school, dus ook één soort leraren.

Ik zou daarentegen willen pleiten voor niet alleen het in ere herstellen van het beroep van kleuterleidster, maar voor nog verder gaande differentiatie. Naast de bevoegdheid voor kleuters stel ik voor: twee bevoegdheden voor de basisschool, namelijk een voor de onderbouw en een voor de bovenbouw. Aan die laatste moeten hoge eisen worden gesteld, niet alleen wat betreft taal en rekenen, maar ook op het gebied van de algemene ontwikkeling. Want die leraar in de hoogste klassen van de basisschool moet heel wat in huis hebben wil hij inhoudelijk voor de leerlingen interessant zijn.

Ongetwijfeld zullen velen hier huiverig voor zijn, ook al kan ik geen enkel zinnig argument bedenken dat tegen dit voorstel pleit. Het alternatief voor een dergelijke differentiatie in bevoegdheden is jaar in jaar uit dezelfde klachten blijven herhalen, terwijl je weet dat het probleem toch niet wordt opgelost. Of, zoals door sommigen werd bepleit, strengere eisen stellen aan de toelating, de opleiding zwaarder maken, en het tekort aan leraren dat hier het onvermijdelijke gevolg van zal zijn, voor lief nemen. Dat lijkt me een heilloze ontwikkeling.

Differentiatie dus. Waarom zou een kleuterleidster wiskunde in haar pakket moeten hebben? De leraar met uitsluitend bevoegdheid voor de onderbouw kan via aanvullende scholing doorgroeien naar de bovenbouw, want we kunnen wel praten over een leven lang leren, maar zo lang we dat niet honoreren gebeurt dat natuurlijk toch niet. De leraar bovenbouw kan op zijn beurt weer doorgroeien naar het vmbo, want daar zal de behoefte aan leraren de komende jaren spectaculair toenemen.

Het effect van een dergelijke aanpak zal zijn dat we ophouden onhaalbare eisen te stellen aan pabo-studenten, leraren perspectief bieden op een carrière en dat sprake is van een realistische aanpak van het dreigende lerarentekort.

lgm.prick@worldonline.nl

    • Leo Prick