Onze maatschappij is vervelend, daarom gedragen kinderen en hun ouders zich slecht

Verveelde, slecht opgevoede kinderen, volwassenen die zich misdragen: de schrijver Thomas Rosenboom schreef daar een fel pamflet tegen. Het is allemaal waar - maar we moeten zeker niet terug naar de verloren braafheid. Kinderen worden stelselmatig onderschat. Bied ze wel een veilige omgeving om langzaam te kunnen groeien.

Er zou geen aandacht aan zijn geschonken als het van de stamtafel kwam, maar nu was het Thomas Rosenboom, toch één van onze bedachtzaamste schrijvers, die, Denkend aan Holland, niet net als Marsman een machtig rivierenlandschap voor zich zag waarin je naar de stille aanwezigheid van god en gebod vrezende mensen moest gissen, maar louter beelden van opdringerige, jengelende kinderen en brutale, agressieve jongeren die aan god noch gebod een boodschap hebben.

En, zegt Rosenboom, ze hebben het van geen vreemden, die kinderen en jongeren, ook hun ouders gedragen zich alsof ze het middelpunt van de wereld zijn, ongeremd, lomp en egocentrisch; van opvoeden hebben ze geen benul, van verwennen des te meer. Dat was in de jaren '30, in de tijd van Marsman, maar ook in zijn eigen jonge jaren - Rosenboom is van 1956 - heel anders. Toen ,,gedróégen ze zich“, de Nederlanders, ,,in de rij voor een uitkering, in de werkverschaffing, in het dagelijkse leven“ - zoals dat nu ook in het buitenland nog het geval is, je hoeft maar over de grens met België en Duitsland te gaan en je waant je in het Nederland van veertig jaar geleden.

Vooral die vergelijking moet door menigeen aanstootgevend zijn gevonden. Aan de stamtafel zijn het immers in het bijzonder onze buurlanden die zich mogen verheugen in een massief, van hoon en dédain doortrokken vooroordeel. En zouden we dan nu moeten dulden dat uitgerekend die achtergebleven gebieden ons ten voorbeeld worden gesteld?

Rosenboom hield zijn filippica in een lezing die vorig jaar als pamflet is uitgegeven. Achterop het boekje lijkt zijn uitgever de bui al te zien hangen. “Tot hilariteit van de zaal tekende hij zonder een spier te vertrekken zijn beeld van de Nederlandse samenleving“ - alsof de schrijver toch vooral leuk wilde doen, een suggestie mogelijk gedaan om hem tegen lompe kritiek in bescherming te nemen. Nu kán er om zijn lezing ook wel gelachen worden - Rosenboom is een meester in het ensceneren van karikaturale situaties en in het opvoeren van de spanning - maar men zou hem ernstig tekortdoen zijn intenties daartoe te reduceren. Hij wil wel degelijk serieus genomen worden. Wie daar aanvankelijk nog aan mocht hebben getwijfeld, moet nu, de nodige radio- en tv-gesprekken later, tot een beter inzicht zijn gekomen.

Op klachten als die van Rosenboom kun je, behalve instemming, twee soorten kritische reacties verwachten, en voor beide valt iets te zeggen.

De eerste is de bagatelliserende: zo erg is het niet. Of scherper: zo is het misschien wel, maar is dat dan zo erg? En als het dan werkelijk zo erg is, op zijn minst af en toe, kunnen we dan alleen nog maar terug naar die brave, saaie, stijf in het gareel lopende jongeren van vóór de late jaren zestig?

Graag herinner ik eraan dat het kernstuk van het origineelste filosofische geschrift van het laatste kwart van de vorige eeuw - Peter Sloterdijks Kritik der zynischen Vernunft (1983) - een zoektocht naar de verloren brutaliteit behelsde. Het is waar, dat zou nu niet meer het meest urgente sociale programma zijn, maar vast staat ook dat we met een zoektocht naar de verloren braafheid - ongeveer wat Balkenende onder normen en waarden verstaat - nooit van die klierende jongeren afkomen.

De tweede reactie op een jeremiade als die van Rosenboom bedient zich van een relativerend historisch argument: het is altijd zo geweest, in de ogen van ouderen waren jongeren altijd al lastig en brutaal. En ook die reactie lijkt niet helemaal onterecht.

Al bij Plato, de tot voor kort alom gerespecteerde aartsvader van de westerse cultuur (wiens gedachtegoed nu vooral door fundamentalistische islamieten in ere wordt gehouden, al weten ze dat niet), kunnen we lezen dat opvoeden “temmen' is. En niet anders dan temmen kan zijn, want kinderen zijn wilde dieren, één en al begeerte en opwinding, voor geen rede vatbaar. Respect voor ouderen is er “in de democratische samenleving', waar Plato tegen tekeerging, niet meer bij, vaders daarentegen doen wel hun uiterste best bij hun kinderen in de smaak te vallen door ze in alles gelijk te geven en ze nooit een strobreed in de weg te leggen. Geen wonder dat ze, “opgejaagd door hun ongehoorzame genitaliën', opgroeien voor galg en rad.

Is de kwestie daarmee afgedaan? Moet Rosenboom er maar aan wennen dat kinderen nu eenmaal niets liever doen dan joelen en krijsen, elkaar porren en pesten? Is hij onvoldoende toegerust - te weinig eelt, te slap van musculatuur, te zacht van stem - voor de “democratische samenleving' van nu, waarin het flexibele en zichzelf helpende individu niet zonder een portie eigengereide grofheid kan?

Om daar iets zinnigs over te kunnen zeggen, is het nodig op de structurele oorzaak van al dat wangedrag in te gaan: de verveling. Want ze vervelen zich te pletter, die vervelende jongeren, ze zoeken opwinding die het leven kennelijk niet meer automatisch en in voldoende hoeveelheden te bieden heeft. Dat mag nog niet direct een excuus zijn voor wangedrag, de omstandigheden werken dat wel degelijk in de hand.

Het moderne bestaan is vervelend. Werkelijke gevaren die een beroep doen op heldhaftigheid, strategisch inzicht en improvisatietalent, zijn uitgesloten, werkelijke noodsituaties die dwingen tot handelingen op leven en dood doen zich in de naoorlogse samenleving niet meer voor. Wij moeten het doen met de zelfbedachte surrogaatuitdagingen, -excessen en -extasen.

Dat alles is een onherroepelijk gevolg van de vooruitgang. Existentiële verveling is een modern fenomeen, product van een op verkwisting gerichte economie, van een welvaart en bestaanszekerheid zonder historisch precedent.

Terug naar de echte uitdagingen en excessen kunnen we niet meer, tot ons geluk, de laatste grootscheepse Europese onderneming in die richting was die van het Derde Rijk. De laatste beleidsadviseur van niveau die die onderneming in alle ernst steunde, was Martin Heidegger, de filosoof van de “oneigenlijkheid', die in de jaren '30 van de vorige eeuw het “eigenlijke leven', inclusief de ironieloze ernst en de heroïsche besluitvaardigheid, meende te ontwaren in de schimmige contouren van het Duizendjarige Rijk.

In Heideggers premoderne, rurale samenlevingen had men, ook als de oogst binnen was en het vee op stal stond, altijd nog van alles te doen aan onderhouds- en herstelwerkzaamheden, aan voorbereiding op de winter en het nieuwe seizoen. Het bestaan zelf dwong op een voor ons, westerse welvaartsjunks, niet meer na te voelen wijze, tot inzet van alle krachten. Afhankelijkheid van de natuur en de weersomstandigheden vroegen om geduld en een zekere lijdzaamheid, maar dat is iets anders dan verveling. Verveling is het product van het wachten op iets zonder te weten waarop men wacht en - essentiëler - zonder dat men alert, aandachtig, op zijn hoede hoeft te zijn.

Zoals ridderlijk en hoffelijk gedrag in post-burgerlijke tijden alleen nog metaforisch mogelijk is, zo mogen we ook van de held, de heilige en de avonturier alleen nog sterk verbleekte afgietsels verwachten. Van een bedrijf dat per advertentie “avontuurlijk ingestelde jongeren' werft, weten we één ding zeker: dat avontuur zal beperkt blijven tot de bereidheid van hot naar her gestuurd te worden en ook 's avonds en in de weekends te werken. Met de verdiensten kopen ze ,,hoogwaardige avontuurlijke vakanties“ voor de schaarse vrije tijd, hoe schaarser hoe hoogwaardiger. Hun minder bedeelde leeftijdgenoten moeten de kick op straat zoeken, in het pesten van passanten of het organiseren van gevechten met de tegenpartij.

Hoezeer jonge mensen verlangen naar een vrij en opwindend bestaan blijkt uit de populariteit van kunstacademies. Hoe weinig behoefte er maatschappelijk is aan al die creatieve geesten blijkt uit de frustraties die zij, eenmaal afgestudeerd, opdoen op de arbeidsmarkt. Kunstenaars kunnen we missen als kiespijn, werken voor de kost vereist geen creativiteit. Werken is, grosso modo, saai en vervelend. Met zelfverwerkelijking heeft het nog maar in een slinkend aantal bevoorrechte gevallen iets te maken.

Adam Smith (1723-1790), de Schotse humanist en universele geleerde aan wie we de eerste adequate beschrijving van een zich expansief vertakkende kapitalistische economie te danken hebben, leefde in dat opzicht nog tussen hoop en vrees. Hij hoopte dat de industriële arbeidsdeling, die niet zonder gespecialiseerde vakbekwaamheid kan, vanzelf zou leiden tot een toenemend zelfrespect ván en een toenemende waardering vóór de arbeider. Op zijn meer sombere - en realistische - momenten vreesde hij echter, vooruitlopend op Marx, dat het monotone fabriekswerk niet anders dan tot geestelijke en morele afstomping kon leiden. En dus onvermijdelijk tot verveling. ,,De man die zijn hele leven doorbrengt met het uitvoeren van een paar eenvoudige handelingen (...) heeft niet de gelegenheid zijn verstand te gebruiken, en hoeft nooit inventief te zijn omdat er geen moeilijkheden zijn om uit de weg te ruimen.''

In het technologisch en economisch minder ontwikkelde Frankrijk zag Rousseau (1712-1778), bijna-tijdgenoot van Smith, het warenverkeer, de arbeidsdeling, de klassenmaatschappij en de daarbij horende mentale depressies al in continentale richting komen. Zijn cultuurtheorie is defensief van karakter, ze kan worden gezien als de toentertijd meest consistente theoretische poging die depressies af te weren. Zijn belangrijkste programmapunt: bescherming van wat nog restte van de door Montaigne ontdekte goede wilde (“le bon sauvage'), buiten de westerse samenleving, in de gekoloniseerde gebieden overzee, en vooral erbinnen, waar die goede wilde zijn toevlucht had gezocht in het kind, de natuurliefhebber, de romantische minnaar, de maatschappelijke buitenstaander. Wat hij bovenal betreurde was de toenemende onmogelijkheid van kinderlijke onbevangenheid.

Dat mag een eenzijdige reactie zijn, toch ging daarin een uiterst belangrijke ontwikkelingspsychologische ontdekking schuil, die het uitgangspunt vormt van zijn pedagogie: kinderen zijn geen kleine volwassenen, ze zijn niet ineens af, ze kennen een eigen, immanente, gefaseerde geestelijke ontwikkeling.

Dat inzicht is niet achterhaald. Het impliceert dat we kinderen hun naïviteit moeten gunnen, dat we hen niet te vroeg moeten blootstellen aan de beelden, de problemen, de eisen van de wereld van de volwassenen. Dat zou ook in fasen moeten gebeuren, het kind zou telkens pas met nieuwe ervaringen geconfronteerd moeten worden als het in staat is die te verwerken, gestimuleerd door volwassenen maar zoveel mogelijk op eigen kracht. Daaraan zou het - naar Rousseau verwachtte - zoveel vreugde en zelfvertrouwen ontlenen dat het kind zich tot een evenwichtige, blijvend geïnspireerde volwassene zou ontwikkelen.

Op het eerste gezicht lijkt dat op het schrikbeeld van het verwende kind dat Rosenboom schildert. De hele wereld lijkt bij Rousseau ingericht naar de wensen van het kind, alles is afgestemd op zíjn “belevingswereld'. En dat is nu juist de oorzaak van zijn jengelende veeleisendheid en zijn ongeduldige egocentrisme.

Maar die kritiek is onterecht. De door Rosenboom aangeklaagde gerichtheid op het kind betreft omstandigheden die het gedrag van het kind van buitenaf dicteren. De speelplekken en computerprogramma's voor kinderen vormen doorgaans zulke gesloten universums dat ze, in tegenstelling tot Rousseaus ideeën daarover, geen enkel beroep doen op de kinderlijke inventiviteit, fantasie en zintuiglijkheid, kortom op het kinderlijke ervaringsvermogen. Het bewijs daarvoor wordt geleverd door de snelheid waarmee ze zich in die speciaal voor hen ingerichte enclaves vervelen. Uit een mengsel van pedagogische gemakzucht en angst voor onzekerheid worden de kinderen er systematisch onderschat, je mag ook zeggen: verwaarloosd. In die zin, en alleen in die zin, worden ze hier voorbereid op hun werkzame leven, waar die onderschatting wordt voortgezet.

Adam Smith moet de eerste zijn geweest die, bijna tweeënhalve eeuw geleden, met onthutsende vooruitziendheid heeft begrepen dat de systematische onderschatting van de vermogens van “gewone mensen', verstoken als zij zijn van wetenschap en kunst, economisch “onvermijdelijk' was. Hij schildert een duister toekomstbeeld van gelijktijdige “algemene overvloed' en volledige verloedering en ontaarding - “tenzij de overheid inspanningen verricht om dit te voorkomen.“ Hij bepleit onderwijs voor de lagere bevolkingsklassen, niet - en dat is opmerkelijk - ten behoeve van een hogere kwalificatie van hun arbeidskracht, dus ook niet in dienst van de groei van de economie, maar louter ter bestrijding van hun ,,onwetendheid en stompzinnigheid“, om daarmee hun vatbaarheid voor ,,misleidingen door vervoering en bijgeloof“ te verminderen. En bovendien: ,,Een goed onderwezen en intelligent volk is altijd fatsoenlijker en ordelievender dan een dom volk.“

Als we van onze kinderen willen dat ze hun ervaringen met de onvermijdelijke verveling van het moderne bestaan niet gefrustreerd afreageren in agressieve spelletjes, is goed onderwijs wenselijk maar niet voldoende, we moeten hen allereerst - in de geest van Rousseau - van een beschermde jeugd verzekeren. En van intimiteit. Intimiteit impliceert gevoel voor, en een liefdevolle gerichtheid op de gemoedsbewegingen van een ander, het vermogen dus ook zich met een ander te identificeren, op zijn eventueel onbewuste en ongearticuleerde wensen te reageren.

Dat is waar elke goede moeder bij haar kind op is gericht, van nature, zij wil het beste voor haar kind, alleen innerlijke onrust kan haar daarvan afbrengen. In die eerste intieme ervaringen leert het kind zijn moeder vertrouwen, dus stelt het zich voor haar open. Zonder intimiteit wordt het wantrouwig, sluit het zich af van de wereld, verhardt het in dwangmatig narcisme. Alleen in intieme wederkerigheid kan een kind het empathische vermogen ontwikkelen dat hem later tot sociaal wezen maakt, iemand die bij alles wat hij doet als vanzelf rekening houdt met anderen.

Opvoeden is dan niets anders dan de kunst die oorspronkelijke moederbinding gefaseerd, naar de mogelijkheden van het kind, los te laten en het tegelijkertijd te stimuleren tot het aangaan van zowel andere, meervoudige intieme betrekkingen als tot zakelijke sociale contracten. Alleen, dat “niets anders' klinkt alsof opvoeden een peulenschil is. Uit Rosenbooms observaties van ongebreideld en agressief narcisme moeten we, vrees ik, opmaken dat die opvoeding op grote schaal en voor meerdere generaties is mislukt. Dat is verontrustend, temeer omdat we uit de psychiatrische praktijk weten dat ernstige vormen van narcisme - gevallen van mishandeling of extreme verwaarlozing - niet behandelbaar zijn, en minder ernstige alleen met zeer veel moeite.

Verontrustender nog is het dat de ontketende concurrentie onder neoliberaal bewind een premie zet op het hardste egocentrisme. Kinderen zijn, voorzover nog niet aanspreekbaar als consument, vooral een storende factor voor de vierentwintiguurseconomie, ze moeten ergens worden opgeborgen en beziggehouden zodat ze zo weinig mogelijk last veroorzaken. Voor vrouwen die er primair voor hun kinderen willen zijn, is er eigenlijk geen plaats, laat staan voor mannen die dat willen, gesteld al dat paren zich die vrijheid economisch zouden kunnen permitteren. Zo krijgt onze samenleving niet alleen de ouders maar ook de kinderen die ze verdient. Maar het is hypocriet, of op zijn minst kortzichtig, om dan over normen en waarden te beginnen. Een samenleving die neerkijkt op de moeders, en die niets liever doet dan de moederlijke verlengstukken in de instellingen van de verzorgingsstaat de nek om te draaien, moet niet vreemd opkijken als de kinderen zich onwenselijk gaan gedragen, ze zijn immers in hoge mate ongewenst.

We zouden moeten leren ons zinvol te bewegen in structureel vervelende omstandigheden. Ofwel: in omstandigheden waarin de bewegingsmogelijkheden weliswaar in principe excessief zijn toegenomen maar tegelijk in hoge mate van drama ontdaan. De belangrijkste voorwaarde: een open blik voor de directe omgeving. Dat zulke evenzeer zinvolle als vrije bewegingen in het nabije mogelijk zijn, daarvan getuigt elk gelukkig leven.

Daarvan getuigt ook, in geobjectiveerde, vaak hoogst complexe vorm, de eigentijdse kunst, die in plaats van postmodern of wat dan ook misschien beter postheroïsch kan heten. Flaubert droomde al van de roman die over niets zou gaan, de roman waarin niets anders klonk dan de muziek van stijl en compositie; in onze dagen heeft iemand als K. Schippers, behendig en elegant jongleur met de lichtste gewichten, dat ideaal zeer dicht benaderd.

Kunst is geen noodzaak, zoals door nostalgische zelfopofferaars wel wordt beweerd, juist niet en gelukkig niet - tenzij men de noodzaak bedoelt te ontsnappen aan de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Uiteindelijk is kunst niets anders dan een toevlucht voor de creativiteit en het intellect waarvoor in de realiteit geen emplooi meer bestaat, niets anders dan het autonome domein van de zelfgecreëerde problemen en de zelfgecreëerde opwinding, hoezeer het ruwe materiaal daarvoor ook door de werkelijkheid wordt aangeleverd, mogelijk met pijnlijke kracht wordt opgedrongen.

Maar anders dan de eveneens uit verveling geboren vindingrijkheid van de kwelgeesten van Rosenboom - en dat is een essentieel verschil - gaat de vindingrijkheid van de kunst niet ten koste van anderen, voor de realiteit heeft ze immers geen, of hoogstens zeer indirecte, gevolgen. Wel staat het iedereen vrij in haar hogere vorm van opwinding te delen. Zou dat niet de kwintessens van beschaving zijn?

Schrijver en essayist. In 2003 verscheen de essaybundel “Ver van huis. Denken in beweging' (2003), over de lotgevallen van de moderne intellectueel. Onlangs bezorgde hij een brievenuitgave van de filosoof Lichtenberg “Gekleurde schaduwen'.