Lekker dier

Na de Romeinen at geen Nederlander nog een maaltje bruine beer, in de middeleeuwen werd de vis steeds kleiner. En toen kwam de dierenbescherming.

Cor van der Heijden

WFA08:PROTEST WAKKER DIER TEGEN CAMPINA:WOERDEN;25JUN2001-Demonstranten van de Stichting Wakker Dier in het zonnetje bij het kantoor van Campina Melkunie. De stichting wil dat de fabrikant een beroep doet op de veehouders om hun vee in de wei te houden. WFA/el/,str.Engel Lameijer.WFA/str Engel Lameijer WFA ENGEL LAMEIJER

De redactie van het Jaarboek voor Ecologische Geschiedenis heeft een gelukkige hand in de keuze van het thema voor het in december 2005 verschenen jaarboek. De omgang van de mens met dieren mag zich verheugen in een enorme belangstelling. De twee drukst bezochte musea van Nederland, het Rijksmuseum en het Van Gogh Museum, hebben momenteel een tentoonstelling over dit onderwerp in huis, om maar wat te noemen. Varkens in de huiskamer op de foto, een schilderij van een dame die zich neervlijt tussen tijgers en leeuwen.

Toch is de belangstelling van historici voor het onderwerp van recente datum en is het aantal belangwekkende publicaties beperkt. De tienkoppige Nederlands-Vlaamse redactie van het Jaarboek formuleerde vier vragen die de lacunes in de toekomst moeten helpen dichten - en maakte een begin: de zes artikelen in de bundel proberen er alle één of meerdere te beantwoorden. Hoe sterk exploiteerden de bewoners van de lage landen hun wilde dieren? Hoe veranderde dat in de loop der tijd, en waar kwam de omslag naar dierenbescherming vandaan? En tenslotte: in hoeverre waren beschermen en bejagen tegenstrijdig?

De Vlaamse onderzoekers Anton Ervynck (archeoloog) en Wim van Neer (ecoloog) selecteerden uit een groot aantal archeologische opgravingen de gegevens over dierlijke resten, en concluderen daaruit dat verschillende soorten in het verleden overbejaagd werden. Beenderen van de bruine beer kwamen nog volop voor in de prehistorische en Romeinse afvalkuilen; in de middeleeuwse vindplaatsen ontbraken deze botresten vanaf de twaalfde eeuw. Het oerrund kwam in prehistorische sites in significante aantallen voor. In Romeinse vindplaatsen kwamen nog sporadisch beenderen aan het licht, maar in middeleeuwse vindplaatsen zijn restanten van dit dier nog nooit teruggevonden. Ook de aantallen edelhert en everzwijn namen af.

uit balans

Dat al tijdens de middeleeuwen het ecologisch evenwicht uit balans werd gebracht, blijkt niet alleen uit het uitsterven van diersoorten. Analyse van archeologische data leert dat in de loop der eeuwen steeds vaker kleine exemplaren gevangen en gegeten werden.

Dit gold niet alleen voor het wild, maar ook voor de vissen. In tegenstelling tot zoogdieren, groeien vissen hun hele leven door. Van het skelet van vissen blijft echter weinig over dat een basis voor archeologisch onderzoek kan vormen. Daarom bestudeerden Ervynck en Van Neer de in afvalkuilen teruggevonden otolieten van de kabeljauw.

Otolieten of gehoorsteentjes zijn stukjes kalk in het binnenoor, die onderdeel vormen van het evenwichtsorgaan en meegroeien met de vis. Omdat vissen niet groeien in de winter, vertonen de otolieten een patroon dat aan jaarringen doet denken: leeftijd en groeisnelheid van de vis zijn er uit af te leiden. De onderzoekers komen - vooral op basis van Vlaamse archeologische data - tot de conclusie dat de kabeljauw al in de late middeleeuwen onder druk stond.

Ook in andere bijdragen aan deze gevarieerde bundel geven de auteurs de voorkeur aan lange-termijnoverzichten. Een mooi voorbeeld daarvan is het artikel van de Nederlandse ecologen Henny van der Windt en Edo Knegtering. Zij analyseerden de op specifieke diersoorten gerichte wetgeving in Nederland gedurende de periode 1860 tot 1995.

Niet alleen stelden zij vast voor welke dieren de wetgeving gold (het meest voor vogels, het minst voor insecten), maar ze lieten vooral zien waaróm de wetgeving werd ingesteld. Van der Windt en Knegtering onderscheiden drie doelen: benutting, bescherming en bestrijding.

In de geanalyseerde periode verveelvoudigde het aantal wilde soorten waarvoor een wettelijke regeling van kracht was: van ongeveer tachtig naar bijna zeshonderd. Vooral het aantal te beschermen soorten nam spectaculair toe. In 1995 werden ruim vierhonderd soorten beschermd, terwijl het aantal bestreden soorten redelijk constant bleef: dat fluctueerde tussen de 25 en 40 soorten.

Vooral zoogdieren worden in Nederland bestreden, vissen worden voornamelijk “benut' en vogels beschermd. De bijzondere status van de vogels in de Nederlandse wetgeving én bij het grote publiek (denk aan de ophef rondom de “domino-mus') heeft het gevogelte - aldus de auteurs - voor een belangrijk deel te danken aan het fanatisme van de Vogelbescherming.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was het pleit echter nog allerminst beslecht. Toen kon Eerste Kamerlid R. Th. Baron van Pallandt, sprekend over de reiger en de kraai, nog beweren dat zooveel mogelijk van dit tuig“ onschadelijk gemaakt moest worden. Ondanks velerlei bezwaren werd de Vogelwet aangenomen. De stemverhouding spreekt echter boekdelen: op vijftig Eerste Kamerleden 16 stemmen voor en 14 tegen.

H. van der Windt & H. van Zon, red., Mensen en dieren in het verleden [themanummer van Jaarboek voor Ecologische Geschiedenis]; 172 blz.; prijs € 14,90; te bestellen Uitgeverij Verloren, Postbus 1741, 1200 BS Hilversum, tel. 035-6859856.

    • Cor van der Heijden