Het ging mis toen ik 17 was

“Een zekere Pak Itwon vond mij om negen uur 's ochtends op straat in Seoul. Ik was ruim een jaar oud en herinner me van toen alleen nog dat ik huilend rondliep. Alleen. In mijn broekzak zat een briefje met mijn naam, geboortedatum, de ziektes waartegen ik was ingeënt en het verzoek goed voor mij te zorgen. Via het politiebureau kwam ik terecht in het kindertehuis.

Assen - 03-01-2006 Adoptie kind Jainan Hofman in zijn ouderlijk huis. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

Dit blijkt uit de papieren die ik bij me droeg toen ik acht maanden later, op 26 september 1987, op Schiphol aankwam. Op foto's die daar zijn gemaakt, zie ik eruit als een poppetje met zwart piekhaar. Ik had een geelrose joggingpakje aan en blauwe gympies.

Mijn ouders waren tot 1981 actief bij Wereldkinderen, een organisatie die bemiddelt bij interlandelijke adoptie. Ze hebben mij van kindsaf aan verteld dat ik ben geboren in een ander land. De dag van mijn aankomst hadden ze bij de Chinees nasi voor mij gehaald. Ik bleek keurig te kunnen eten. Geen kruimeltje mocht er vallen. Daarna at ik gewoon mee met de Hollandse pot. Ik lustte alles.

Toen ik bij hen in Hardenberg kwam wonen, hadden ze al drie adoptiekinderen uit Indonesië. Erwin, Hester en Judith, ze waren zeven, vijf en vier jaar oud. Judith was zwaar gehandicapt. Ze zat in een rolstoel en kraamde geluiden uit. Praten kon ze niet. Ze had een stofwisselingsziekte met een moeilijke naam. Ik was erg op haar gesteld. Toen ze elf jaar oud was, stierf ze.

Die dag speelde ik bij een vriendje. Ik heb haar daarna nog een paar keer opgezocht in het mortuarium. Het was er koud. Ze lag met een knuffel in een kistje en had een felgekleurde wollen trui aan. Haar handjes lagen over elkaar, voor zover dat ging. Ik maakte tekeningen van haar.

Een makkelijk kind was ik niet. Ik was nogal impulsief en kon ineens heel agressief en boos worden. Op mijn vijfde was bij mij het syndroom Gilles de la Tourette geconstateerd, een neurologische afwijking waardoor ik dwangmatig handelde. Met mijn ellebogen stootte ik op tafels, ik schudde met mijn hoofd en maakte rare kreungeluiden. Daarvoor schaamde ik mij. Als ik in de stad liep, keken mensen mij vreemd aan en gingen opzij.

Echte vrienden had ik niet. Als ik wilde spelen, belde ik net zolang op totdat ik iemand had gevonden. Of ik fietste door de buurt. Als ik kinderen zag, mocht ik wel meespelen, maar tijdens het spel merkte ik vaak dat ze zich van mij afkeerden.

Ze noemden mij Hanki Panki poepchinees. Dat was pijnlijk. Soms ging ik ze boos achterna. Pakte ik kleinere jongens en schopte ze in hun maag. Of ik mepte. Bij grotere jongens riep ik de hulp in van klasgenoten die van vechten hielden. Die maakten het dan voor mij af. Soms werd ik afstandelijk. Maar omdat ik contact wilde, ging ik ook sociaal doen. Dan deed ik alsof alles mij interesseerde.

Mijn oudste zus, Hester, vond via het programma Spoorloos haar Indonesische familie toen ik twaalf was. Vanaf die tijd wilde ik mijn Koreaanse ouders zoeken en fantaseerde ik over Korea. Ik dacht dat Koreanen geweldig waren. Dat ze altijd vriendelijk lachten en keken, open en gezellig waren. Ik maakte mijn eigen wereld.

Als ik daar was gebleven zou alles perfect zijn geweest, dacht ik. Ik zou vriendjes hebben, cool zijn, goed zijn op school en geen Gilles de la Tourette hebben. Mijn biologische ouders waren heel lief en teder. Ze zouden mij alles geven wat ik wilde. Deels waren deze fantasieën ingegeven, doordat mensen altijd naar ze informeerden. Ze vroegen me hoe het was om geadopteerd te zijn, of ik aan mijn echte ouders terugdacht en ze niet miste. Dus moesten ze wel perfect zijn.

Ook keek ik veel naar tv-programma's als Onder moeders vleugels en Het kleine huis op de prairie. EO-familieverhalen waarin alles goed afliep. Mijn ouders stelden kritische vragen en wilden mij de realiteit onder ogen laten zien. Ook beloofden ze met mij, als ik wat ouder zou zijn, naar Korea te gaan om mijn biologische ouders te zoeken.

In de bibliotheek zocht ik naar informatie over Korea, maar vond alleen boeken over Martial Arts, vechtsporten. Ik verslond ze en wilde ook heel sterk worden. Na onze verhuizing naar Assen, zes jaar geleden, ging ik op taekwondo en was er goed in. Op school werd ik toen Bruce Lee of Karate Kid genoemd omdat ik veel trapte en op hen leek. Ik wilde de man zijn in de groep en mij bewijzen.

Ik was fanatiek. Op mijn kamer oefende ik zelfs 's nachts. Ik begon aan meditaties en Tai Chi. Zelfs in de klas zat ik te mediteren. Ik geloofde in Martial Arts omdat ze het in Korea ook deden. Ik was er 24 uur per dag mee bezig. Mijn lichaam leerde ik beheersen en ik werd rustiger.

Ik deed ook mee met wedstrijden. Bij de Nederlandse kampioenschappen taekwondo, in 2001, werd ik derde. Maar ik was niet tevreden. Pas toen ik de clubkampioenschappen won, was ik trots. Toch stopte ik drie maanden later. Ik werd te agressief en arrogant. Ik voelde mij schuldig. Het Christendom waar ik voor koos, kon ik niet meer verenigen met Martial Arts want in het christendom is God je leider, terwijl bij Martial Arts jijzelf centraal staat.

Op een vrijdagavond, ik was veertien, hadden mijn ouders mij meegenomen naar Arierang in Groningen, een vereniging voor geadopteerde Koreanen. Ze vertelden mij dat ik via hen meer te weten zou kunnen komen over mijn adoptie en mijzelf beter zou leren kennen.

Aan een grote tafel in het midden van een rokerige kroeg zaten zo'n acht Koreanen die minstens tien jaar ouder waren dan ik. Ze deden heel Nederlands. Vreemd was dat. Want tot dan toe kende ik alleen Koreaanse Koreanen uit boeken en films. Mijn ouders kletsten veel met ze. Ik luisterde voornamelijk.

Vervolgens ging ik er elke maand heen. Die Koreanen daar hadden veel geduld met mij. Dat had niemand in die tijd. Als ik beweerde dat ik beter af zou zijn in Korea, vroegen zij of dat echt zo was. Ze vroegen mij wat er zou gebeuren als ik mijn biologische ouders zou vinden. Ik deed heel cool, maar zij lieten mij nadenken.

Ik hoorde er steeds meer verhalen van Koreanen die hun biologische ouders hadden gezocht. Sommigen hadden ze teruggevonden. Ze hadden goed contact met ze of het contact was alweer verwaterd. Voor anderen was het confronterend. Hun ouders wilden hen liever niet meer zien. Door die verhalen brokkelde mijn ideaalbeeld van Korea en mijn biologische ouders langzaam af.

We spraken over wat adoptie met ons had gedaan en hoe we ermee omgingen. Ik was er gefrustreerd door en zij vertelden mij dat dit niet erg was. Een eye-opener. Deze Koreanen wilden, net als ik, geaccepteerd worden en bewijzen dat ze iets waren. We hadden het over onze hobby's. Ik teken, schilder en kan sneldichten. Anderen schreven boeken, gedichten, konden goed koken of maakten dancemusic.

Het ging mis toen ik zeventien was. Ik was al teruggezet van de havo naar de mavo omdat ik mij niet kon concentreren. Op de sportopleiding CIOS bleek ik te speels om les te geven, terwijl ik hele hoge cijfers had voor sport. Mijn toekomst viel in duigen want na mijn opleiding wilde ik sportmanager worden. Ik zakte in een diepe put.

Heel mijn verleden kwam op mij af. Mijn minderwaardigheidsgevoel, het niet gewaardeerd worden in deze maatschappij, alle afwijzingen en bovenal het feit dat ik mijzelf keihard afwees. Niemand begreep mijn adoptie, hoe ik leefde en wie ik was, zo voelde ik het.

Met een psycholoog besprak ik een jaarlang mijn angsten en frustraties. Ik praatte veel met mijn vader. Al eerder had hij mij gezegd dat ik moest proberen mensen naar mij toe te laten komen in plaats van andersom. Het heeft tot mijn achttiende geduurd voordat mij dat lukte. Door alle pijn en frustraties konden ze mij toen eindelijk wat.

De spanningen werden minder. Ik ben vooral mezelf gaan accepteren. Mede door ademhalingstechnieken kreeg ik Gilles de la Tourette vrijwel onder controle. Ik ben mijn angst maatschappelijk te falen, kwijtgeraakt. Maar soms ben ik nog teleurgesteld dat ik nu als boekbinder werk want dat heeft voor veel mensen een lage status. Nog steeds wil ik mij bewijzen.

Als regiocoördinator van Arierang houd ik daarom de maandelijkse borrel in stand. Ik organiseer evenementen en trek nieuwe leden aan. Ik wil laten zien dat ik toch iemand ben en er wil zijn voor anderen. Ik houd mij staande omdat ik goed kan tekenen, sneldichten, sporten, dansen en mensen wil entertainen. Want als je mensen vrolijk en blij maakt, voelen ze zich goed. Dat is belangrijk in het leven.

Bij Arierang luister ik nog naar belevenissen van mensen die in Korea zijn geweest en met een meisje uit Korea MSN ik sinds een half jaar. Zij schreef mij dat zij en haar landgenoten een schuldgevoel hebben omdat hun land kinderen ter adoptie heeft aangeboden. Het zij zo. Ik hoef niet meer alles te weten over Korea.

De zoektocht naar mijn biologische ouders laat ik voor wat het is. Ik neem ze absoluut niets kwalijk, want het moet geen makkelijke beslissing voor hen zijn geweest mij af te staan. Als ze mij zoeken, zijn ze welkom. Tegenwoordig kunnen Koreanen die hun kind ter adoptie hebben aangeboden, via een Koreaans tv-programma, hun kind in het buitenland opsporen. Dus als ze willen, via de adressenlijst van Arierang of Wereldkinderen kunnen ze mij vinden.'

    • Opgetekend Door Karin van Lier