Het feestidealisme is opportunistisch en blijft hangen in hype en oppervlakkigheid

In het zogenoemde “nieuwe engagement' ontbreken politieke diepgang en begrip voor geopolitieke en economische belangen. Voor die “zware' verhalen heb je geen feestvierders nodig, maar “wereldlijders'.

Idealisme is weer in, getuige recente opiniestukken over het “nieuwe engagement' onder jongeren. Freelance journalist Evert Nieuwenhuis betoogde onlangs in deze bijlage dat jongeren maar al te bereid zijn om “al feestend de wereld te verbeteren'. Gelukkig, want enig elan kan Nederland wel gebruiken. Op veel plekken in de wereld toonden mensen de afgelopen jaren hun betrokkenheid bij sociale en milieuvraagstukken en protesteerden tegen het - oostelijke en westelijke - fundamentalisme dat de wereldpolitiek beheerst. Ondertussen was ons land naar binnen gericht en overmeesterd door angst, benepenheid en kleinzielig nationalisme.

Nadere analyse van het nieuwe engagement stemt echter minder vrolijk. Misschien is het idealisme iets toegenomen in vergelijking met de jaren negentig. Maar het is een enorme achteruitgang in vergelijking met het decennium daarvoor, waarin “mijn' generatie volwassen werd. Het heeft minder inhoud, vermijdt cruciale politieke stellingnamen, en de “naïevelingen' - een van hen, Menno van der Veen, gebruikt het als een geuzennaam - laten een groot gebrek aan historisch inzicht zien en gooien daarmee nuttige lessen uit het verleden overboord.

Toen ik de betogen las, voelde ik (1963) mij plots heel oud. Ik word op één hoop geveegd met de babyboomers waar ik al mijn halve leven zoveel last van heb. En met dezelfde verwijten als ik de jaren zestig generatie altijd gemaakt heb. Zou het toeval zijn, dat ik nu voorbijgestreefd word door de kinderen van diezelfde babyboomers? Door een generatie van blije optimisten zonder ideologische last? Zij bereiden zich, in de woorden van Van der Veen (“Wij gaan voorbeeldig regeren!“), ook al weer voor op het pluche. Zou zijn naïviteit gespeeld zijn? Hun “levenslust' lijkt vooral met hun ambities en mogelijkheden te maken te hebben.

In ieder geval is het flinterdunne “idealisme' van Van der Veen helemaal niet uitzonderlijk. In zijn onbenulligheid doet het aan D66 denken: vlees noch vis. Of aan de pretpunks uit het begin van de jaren tachtig: “als je haar maar goed zit.' Al tientallen jaren feesten jongeren, roepen af en toe dat ze voor een betere wereld zijn, doen zo nu en dan een goede daad en juichen gehypte politici toe. Niets mis mee, maar pretendeer niet dat je nu iets bijzonders aan het doen bent. Integendeel: niet het feesten is het verschil tussen de generaties, maar het gebrek aan inhoud.

De huidige oppervlakkigheid is een grote stap terug in vergelijking met de - soms langdradige, maar wel degelijk relevante - bespiegelingen van vroeger. Ook de pogingen om idealen in de praktijk te brengen (de essentie van praktisch idealisme) gingen vroeger verder dan nu.

Laat één ding duidelijk zijn. Het gaat niet om een wedstrijd tussen generaties. Elk engagement is goed, of dat nou feestend, liggend of vissend wordt betracht. Als Coolpolitics en anderen met gebruik van slimme reclametechnieken jongeren weten te interesseren en zo op eigentijdse manier complexe verhalen kunnen overbrengen, is dat winst. Niet als het betekent dat je blijft hangen aan de oppervlakte. Nieuwenhuis' oproep om, ter compensatie van de CO2-uitstoot van een New York-vlucht 59 bomen te planten, legt verbanden. En het biedt een concreet, zij het weinig substantieel, perspectief tot idealistisch handelen. Het wekt echter ook associaties op met het Trees for Peace-initiatief van minister Van Ardenne. Misschien dacht zij zo ook meer jongeren te bereiken. Maar het lijkt wel erg naïef om te denken dat het planten van bomen op de grens tussen Eritrea en Ethiopië de legers daar van vechten weerhoudt.

Het verwijt van NRC-columnist Bas Heijne dat het nieuwe engagement vooral tot doel heeft “jezelf beter te voelen', snijdt geen hout. Het “lijden aan de wereld' (Van der Veen) is een kwaal die ik herken, die waarschijnlijk vooral mensen van Heijnes (en mijn, en Hudigs) no-future generatie treft. Maar dat is niet maatgevend. Ik betrap mezelf ook vaak op de zure toon die doorklinkt in Heijnes stuk; het we have seen it all doodt alle creativiteit en vernieuwing. In dat opzicht moeten we vooral het naïeve optimisme van de praktisch idealisten opsnuiven.

We moeten geen discussie over de vorm (snel en hip) of motivatie hebben, maar over de inhoud en de effectiviteit. Het is ook onzin om je boos te maken over de zoveelste one-issue-NGO of al die doe-het-zelfontwikkelingsprojecten: enthousiaste amateurs die op eigen houtje een schooltje gaan bouwen, in hun vrije zomermaanden operaties gaan uitvoeren, een bedrijfje helpen opzetten in een Afrikaans land. Op welke grond kun je al die duizenden mensen het recht ontzeggen een ideaal zelf in de praktijk te realiseren? Al denk ik dat ook hier in veel gevallen opnieuw het wiel wordt uitgevonden en ervaringen uit decennia ontwikkelingssamenwerking genegeerd worden.

Het gaat erom of het huidige feestengagement verder gaat dan liefdadigheid en mooie intenties en voortbouwt op inzichten van eerdere generaties. En dat waag ik te betwijfelen.

De nieuwe naïevelingen zetten zich af tegen de voorgaande generaties. Dat is van alle tijden en schudt de boel een beetje op. Maar zij vergeten - of weten niet - hoe groot het verschil is tussen de generaties die opgroeiden in de jaren '60-'70 en in de jaren '80. In de jaren zestig was er een ongebreideld vooruitgangsgeloof en werd alles anders. Met een stevige duw viel alles om en werd ook flink wat bereikt. Dan is het makkelijk idealist te zijn. Was er een groter feest dan “Mei 68', Woodstock of de Provotijd? Mijn vroege tienerjaren werden bepaald door de spijt dat ik daar niet bij had kunnen zijn.

Het zijn maar een paar voorbeelden uit de tijd waarin de babyboomers de macht kregen aangereikt, de generatie die haar lange mars door de instituties al snel inwisselde voor carrière en geld, met daardoor wel genoeg ruimte voor stevige donaties aan goede doelen. Een relatief kleine groep van deze generatie sloot zich op in communistische keurslijven en raakte verstrikt in starre marxistische interpretaties.

In de jaren tachtig daarentegen overheerste een zwaar pessimisme: economische crisis, kernraketten, Tsjernobyl, verval, uitzichtloosheid. “Mijn' jaren tachtig waren zo bezien slechts het grauwe intermezzo tussen het optimistische tijdperk waarin de babyboomers de leiding kregen en de even zo rooskleurige jaren negentig, het post-Muurtijdperk. De jaren waarin de aandelenkoersen tot in de hemel schoten en een einde aan de geschiedenis leek te komen. De periode dus waarin de nieuw geëngageerden van nu opgroeiden.

Maar in de jaren tachtig waren er ook heel veel idealisten. Die zich heel anders opstelden dan hun voorgangers. Juist de combinatie van het opportunisme en de verstarring van de babyboomgeneratie wekte een tegenreactie op. Het was de tijd waarin het postmodernisme populair was, de ultieme relativering van het “grote verhaal'. In antwoord op de grote ideologieën werd een - soms te - praktisch idealisme ontwikkeld: niet lullen maar doen. Er was genoeg gefilosofeerd over de wereldrevolutie, we gingen het gewoon in de praktijk brengen. In het dagelijks leven, in kraakpanden, in collectieven, biologische winkels, met eigen kranten, radio, uitgeverijen, drukkerijen, et cetera. Het idealisme werd in alle aspecten van het dagelijks handelen geïntegreerd, inclusief alle fouten en mislukkingen die zulke sociale experimenten met zich mee brengen.

Veel van de zaken die de meer verlichte varianten van het hedendaagse praktisch idealisme propageren, zijn in die jaren ontstaan. Het is uitstekend dat dat nu wordt uitgebouwd en gemoderniseerd, door verantwoord consumeren te combineren met marketingtechnieken - de instrumenten van het vermaledijde kapitalisme.

Maar in de jaren tachtig gingen dit soort praktische handelingen vergezeld van politieke stellingnames, en alleen dan bieden ze zicht op verandering. Er werd in die jaren op allerlei niveaus actie gevoerd. Het begrip autonomie werd gebruikt om onder de verstikkende ideologische deken uit te komen van de communistische voormannen, die vergeefs probeerden de beweging onder hun schitterende leiderschap te brengen. Er waren geen leiders, ieder deed zijn ding. Alle vormen van actie (uitgezonderd geweld tegen personen) konden naast elkaar bestaan, ieder droeg bij wat hij of zij zich wilde veroorloven. Er waren alleen algemene - idealistische - doelen.

Een goed voorbeeld vormden de acties tegen de apartheid in Zuid-Afrika. Van handtekeningenacties, partijpolitieke amendementen, kerkbijeenkomsten, via demonstraties en boycots, tot de omsingeling van het Shell-laboratorium in Amsterdam-Noord en het slangensnijden bij Shell-pompstations.

Het lijkt een beetje op de andersglobalistische beweging die elders in de wereld bestaat. Voor veel mensen werkt die associatie als een rode lap op een stier, maar voor mij is de huidige beweging niets anders dan een internationaal netwerk van autonome mensen en groepen die zich allemaal voor een andere en rechtvaardige mondialisering inzetten. Dat zijn duizenden kleine en grote initiatieven in de hele wereld, waarvan de meest in het oog springende en voor sommigen beangstigende vernielingen van McDonald's slechts een heel klein onderdeel zijn.

Wie even verder kijkt, herkent in de andersglobalisten veel van de positieve aspecten van het praktische idealisme. En wie ooit bij het Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre is geweest, weet hoe ze kunnen feesten! Met wat meer politieke visie zouden kritische consumenten of praktisch idealisten in Nederland er ook bij kunnen horen.

Het was in de jaren tachtig overigens niet allemaal zwaar en serieus. Reken maar dat er toen ook gefeest werd. Veel minder braaf, minstens zo spectaculair en creatief. En niet gesubsidieerd of georganiseerd door ingehuurde bureaus als Globalicious.

Een van de termen die toen gebruikt werden om dit praktisch idealisme te omschrijven, was overgedreven uit de punkbeweging: Do it yourself. Het lijkt veel op de term die Nieuwenhuis gebruikt: Just do it. Dat is, niet toevallig, de leus van Nike, een van de multinationals die jarenlang doelwit waren van andersglobalisten. In drie woorden stelt hij daarmee subtiel het strakke ideologische verzet tegen multinationals ter discussie. En dat is goed, want er zitten veel kanten aan het gedrag van multinationals in ontwikkelingslanden.

Het zijn niet alleen de belangrijkste betalers van smeergeld aan corrupte elites en meedogenloze concurrenten van lokale bedrijven die, na gebruik van belastingvoordelen en zonder iets achter te laten, doorhoppen naar het volgende lagelonenland. Zij betalen ook net iets meer salaris, letten ietsje beter op arbeidsomstandigheden en hanteren betere milieucriteria, al was het maar omdat een misstap hen veel onnodige publiciteit oplevert.

Deze nuances ontbreken soms bij de antiglobalisten - de minderheid binnen de mondiale beweging die meer nationalistische trekken vertoont. Als het pragmatisme van het nieuwe engagement voor dit soort relativering zou worden gebruikt, zou ik het van harte toejuichen. Ik vermoed dat Nieuwenhuis, gezien zijn zojuist verschenen degelijke en genuanceerde Grote Globaliseringsgids, dit ook voor ogen heeft.

Het voorbeeld van “Just do it' (of van de reclamecampagne van T-Mobile: “For a better world for you') geeft aan hoe bedrijven inspelen op dezelfde sentimenten die de idealisten inspireren. Het geeft ook aan hoe nauw de scheidslijn ligt, hoe subtiel de verschillen liggen, hoe snel iets in zijn tegendeel kan omslaan, positief of negatief. Het vergt dus enige reflectie en overzicht om de politieke gevolgen van bepaalde uitingen en gedrag te doorgronden.

Juist die politieke diepgang - die veel verder gaat dan het Haagse gedoe, maar maatschappelijke processen in een bredere, internationale context zet - ontbreekt totaal in het nieuwe engagement. Het feestidealisme in Nederland is niet pragmatisch en reflexief, maar opportunistisch. Het blijft hangen in hype en oppervlakkigheid. Het spreekt zich niet uit tegen bepaalde politieke ontwikkelingen, probeert niet de maatschappelijke druk te verhogen. Het ontkent de botsing tussen belangen en de noodzaak van moeilijke keuzes die essentieel zijn voor het bevorderen van een rechtvaardiger wereld.

Naïviteit leidt ertoe dat iedereen met je aan de haal kan gaan. Minister Van Ardenne stelde de praktische idealisten eind november in een speech voor UvA-studenten gelijk aan “sociale ondernemers' en tegenover “de cynici' en “de utopisten'. “Misschien wel de beroemdste sociale ondernemer is Mister Microsoft himself, Bill Gates“, aldus onze minister. Gates, die zoveel geld uitgeeft voor de bestrijding van ziektes als malaria en aids.

Het pragmatisme van de feestgeneratie slaat om in onwetendheid als zij de liefdadigheid van Gates loskoppelen van de keiharde zakenstrategieën waarmee hij dat geld verdiende: vergelijkbaar met die van de farmaceutische industrie die de markt van aidsmedicijnen monopoliseert. Gates, die samen met zijn vrouw en popster Bono in de VS is uitgeroepen tot “Mens van het Jaar', het sluit naadloos aan bij het Live8-denken.

Ontwikkelingshulp is mainstream geworden. Met verfijnde PR-technieken, oneliners en eendimensionale boodschappen is het gelukt vele miljoenen mensen weer voor het lot van de armen te interesseren.

Dat is mooi, maar idealisten willen verder dan de mainstream, lijkt mij. Zij zijn niet tevreden met het niveau van “bewustzijn' dat al tientallen jaren boven de maatschappij zweeft. Zij willen dat de mooie beloften echt ingewilligd worden en proberen schijnoplossingen en hypocrisie te ontmaskeren. Het gaat om begrip van de ingewikkelde samenhangen in de wereld, over de geopolitieke en economische belangen; een veel complexere boodschap dan ooit tijdens een biertje op de dansvloer kan worden geconsumeerd. Daar heb je de “wereldlijders' voor nodig: de mensen die de zware verhalen vertellen.

Politicoloog en publicist, gespecialiseerd in ontwikkeling en globalisering. Schrijver van “De wereld volgens prins Claus'. Verbonden aan www.wereldinwoorden.nl.

    • Frans Bieckmann