Gekaapte kennis

Piraten waren lang niet allemaal de bloeddorstige barbaren zoals ze in de populaire cultuur worden uitgebeeld. Ze leefden in een egalitaire gemeenschap en beschikten over meer medische kennis dan hun tijdgenoten. Bart Funnekotter

De Engelse chirurgijn Lionel Wafer moet ten einde raad zijn geweest toen hij op 6 mei 1681 door zijn kameraden gewond werd achtergelaten in de jungle van de provincie Darién in het huidige Panama. Vijf dagen ervoor was hij met de groep piraten waartoe hij behoorde aan land gegaan aan de Stille-Oceaankust. Het was de bedoeling om, na een plundertocht langs Spaanse nederzettingen, aan de Atlantische kant van het continent een schip te kapen en daarmee terug naar huis te varen.

Helaas voor Wafer ontplofte er na een kleine week sjouwen door het oerwoud een lading buskruit in zijn nabijheid. De huid op zijn knie werd weggeschroeid en zijn dijbeen opengereten. Het was onmogelijk om verder te trekken en zijn mede-boekaniers lieten hem achter bij een stam Cuna-indianen.

De indianen overwonnen hun achterdocht ten opzichte van de vreemdeling, en behandelden zijn wond met kruiden die ze in hun mond tot een pasta kauwden. Dit medicijn werd op een blad gelegd dat om zijn been werd gebonden. Na een periode van twintig dagen, waarin het verband ieder etmaal werd verschoond, beschouwde Wafer zichzelf als genezen. In zijn in 1699 verschenen memoires schreef hij: “Ik was volkomen genezen, op een langdurige zwakte in die knie na. Tot op de huidige dag voelt de knie soms nog gevoelloos aan.'

Het verhaal van deze fortuinlijke scheepsdokter is opgetekend door medisch historicus dr. Stephen Snelders. Eind vorige maand verscheen van zijn hand het artikel “Chirurgijns onder zeerovers in de 17e eeuw' in het Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde (NTvG, 24 dec). In Snelders werk is een zeerover geen bloeddorstige woesteling met een vogel op de schouder, een fles rum aan de lippen en een stem als Keith Richards.

Zeeroverchirurgijns als Waver, zo schrijft hij in het NTvG, hadden wellicht zo intensief contact met de medicijnkennis van indianen dat ze er op hun reizen hun voordeel mee deden.

Snelders (1963) werkt bij de afdeling Metamedica van het VU Medisch Centrum. Eerder publiceerde hij onder andere over LSD-therapie. Het jaar 2005 stond voor hem echter in het teken van de piraterij. In februari verscheen zijn boek The Devil's Anarchy. The Sea Robberies of the Most Famous Pirate Claes G. Compaen, and The Very Remarkable Travels of Jan Erasmus Reyning, Buccaneer. Bij het onderzoek voor dat boek stuitte hij op een interessant fenomeen dat hij beschreef in het NTvG.

hypothese

In zijn artikel poneert hij een opvallende stelling over de medische kunde van de scheepsdokters die meevoeren met piraten. Snelders: Chirurgijns op zeeroversschepen hadden in de tropen te maken met dezelfde ziektes als artsen op reguliere schepen. Toch lijkt het erop dat zij over meer kennis beschikten dan hun collega's die op het rechte pad waren gebleven. Mijn hypothese is dat dit zou kunnen komen door het contact dat boekaniers hadden met de inheemse bevolking van de Amerika's.“ Op die manier zouden piratenchirurgijns aan kennis zijn gekomen over de geneeskrachtige werking van sommige planten die in het oerwoud van Midden-Amerika groeien.

Hij legt uit hoe hij tot die conclusie is gekomen. De zeerovers die in de zeventiende eeuw opereerden in het Caraïbisch gebied waren niet alleen actief in het water, maar ook op het land, waar ze Spaanse nederzettingen plunderden. Daarbij kwam het voor dat de piraten aan land gingen aan de Atlantische kant van het continent en zich al rovend een weg baanden naar de Stille-Oceaankust. Daarna plunderden ze zich een weg terug naar het oosten. Daar werd dan een schip gestolen om naar huis te varen. Tijdens deze tochten door de jungle was er veelvuldig contact met de inheemse bewoners van de streek. Het kwam zelfs voor dat indianen zich aansloten bij een troep piraten. Als gevolg van dit soort ontmoetingen vond er wederzijdse overdracht plaats van medische kennis, zo blijkt uit memoires van een aantal piratenchirurgijns die ik als bron gebruikte voor mijn boek.“

pijl en boog

Precies zo ging het verder met Lionel Waver. Nadat hij genezen was, besloot hij de indianen in te wijden in de geheimen van de Europese manier van aderlaten. Hij had indianen iets soortgelijks zien doen bij zieke stamgenoten met een kleine boog met kleine pijlen die heel precies op een ader werden afgeschoten. Dat leverde slechts een geringe bloeding op. Wafer nam zijn lancet ter hand en opende een ader bij een vrouwelijke patiënt. Het bloed spoot uit haar arm. De hoofdman van de stam schrok hiervan en bedreigde de chirurgijn met zijn speer. Als de patiënte niet beter zou worden, zou hij de vreemdeling vermoorden.

De vrouw herstelde gelukkig voorspoedig. Met zijn reputatie aldus gevestigd trok Wafer van dorp naar dorp om zijn heelkunsten ten toon te spreiden. Het stamhoofd dat hem eerst had willen doden, bood hem nu zijn dochter aan als dank voor bewezen diensten. Na vier maanden wilde de Engelsman echter terug naar zijn kameraden. Het lukte hem aan de indianen te ontkomen en aan de kust stuitte hij op het schip dat zijn collega's gestolen hadden. Snelders: Het duurde alleen even voor die hem herkenden. Hij was beschilderd door de indiaanse vrouwen, en droeg een neuspiercing die tot aan zijn mond reikte.“

Ook in andere memoires van piratendokters kwam Snelders ontmoetingen met indiaanse geneeswijzen tegen. Het is opvallend hoeveel boeken van schrijvende scheepsdoktoren er zijn uitgegeven. Kennelijk hield het publiek van hun bloederige verhalen.“

Het schrijven van The Devil's Anarchy had Snelders al geleerd dat piraten niet alleen op medisch gebied beschaafder waren dan over het algemeen wordt gedacht. Onderscheid tussen standen bestond er bijvoorbeeld niet. Jan Erasmus Reyning maakte in de jaren 1660 deel uit van de Broederschap van de Kust, beter bekend als de boekaniers, die opereerden vanaf eilanden als Tortuga en Jamaica. Deze groep piraten leefde samen in een egalitaire gemeenschap, waarbij iedereen een gelijk deel van de buit kreeg uitgekeerd. Zo ontving de chirurgijn bijvoorbeeld hetzelfde deel als een reguliere piraat. Wel ontving hij een extra vergoeding voor de onkosten die hij gemaakt had bij het aanschaffen van zijn apparatuur en medicijnen. Kapiteins die een eigen schip inbrachten, werden daarvoor ook vergoed.“

lijfstraffen

De ordehandhaving op het schip gebeurde niet door een gewelddadige kapitein, ontdekte Snelders. Ook het uitdelen van lijfstraffen, de gewoonste zaak op andere schepen, was zeldzaam. Daar kwam het bijvoorbeeld nog wel eens voor dat de scheepsdokter iemand met zijn oor aan de mast moest vastspijkeren. Geen van de mij bekende piratenchirurgijns heeft dat gedaan. Als er onder de boekaniers een conflict ontstond, werd dat van man tot man uitgevochten, in een duel.“

Deze vormen van democratie betekenden overigens niet dat de Broeders van de Kust een hechte club waren waarin iedereen blind op elkaar vertrouwde. Misschien wel het bekendste wapenfeit van de boekaniers is de plundering van de Spaanse stad Panama in 1671 onder leiding van Henry Morgan. Reyning was bij deze aanval aanwezig. Snelders: De stad is toen totaal verwoest, maar omdat de piraten te snel aan een drinkgelag begonnen, slaagde een aantal Spaanse schepen met daarin veel van de kostbaarheden van de stad erin te ontkomen.

Toen de buit werd verzameld bedroeg die 400.000 realen van achten. Er waren zo'n tweeduizend boekaniers die aan de aanval hadden meegedaan. Die kregen dus per persoon tweehonderd realen van achten. Ter vergelijking: de gemiddelde arbeider verdiende in die tijd per jaar vijftig realen van achten. Een slaaf kostte zo'n 100 realen van achten. De boekaniers waren dus niet echt binnen voor het leven. Er ontstond onrust onder de bemanning, die Morgan ervan beschuldigde een deel van de buit verstopt te hebben. Ondanks dat dat niet zo was, smeerde Morgan hem toch richting Jamaïca.“

Dat piraten niet de paria's waren waarvoor ze nu worden gehouden, blijkt uit het vervolg van het verhaal van Reyning. Die trad doodleuk in dienst bij de Spanjaarden. Na een tijd keerde hij terug naar Nederland, waar hij werd opgenomen in de reguliere marine en nog vijfentwintig jaar tegen de Fransen vocht. Zo zijn er meer voorbeelden“, weet Snelders. Er bestond geen sociale afstand tussen piraten en reguliere zeelui, ondanks dat de eersten de normen van de maatschappij verworpen hadden. Zo lang de boekaniers het vooral de Spanjaarden moeilijk maakten, hadden Engeland, Frankrijk en Nederland sowieso niet zoveel moeite met ze. Morgan trad soms zelfs op als een soort kaper uit naam van het Engelse gezag op Jamaica. Pas toen ook deze landen aan het eind van de zeventiende eeuw een bestuursstructuur hadden opgebouwd in West-Indië, verdween voor zeerovers de mogelijkheid tot reïntegratie in de gewone maatschappij.“