Gaten in de evolutie 6

De krant schetst hoe er vier stevige gaten in de evolutietheorie zitten, maar ik zie er voor een deel nauwelijks problemen in (W&O 31 dec). Bij nummer 1, het ontstaan van leven, gaat het over de stromatolieten en `als er op de piepjonge aarde al zo`n ontwikkelde vorm van leven bestond, wat was er dan daarvoor?` Het is maar wat je piepjong noemt. De ontwikkeling van de stromatolieten kan makkelijk 100 of zelfs 500 miljoen jaar geduurd hebben. Als in 6 miljoen jaar uit een gemeenschappelijke voorouder mensen, chimps en bonobo`s kunnen evolueren, met onderweg australopitheci, neanderthalers en wat niet al, wat kunnen mindercelligen dan in wellicht honderdmaal zoveel jaren? In probleem 3, het ontstaan van soorten, zie ik om semantische redenen geen probleem. Synchroon is `soort` een enigszins vaag maar toch wel bruikbaar begrip, diachroon lijkt het inherent onbruikbaar. Wil je zien hoe soort B uit soort A ontstaat, dan zul je namelijk in laatste instantie moeten aangeven waar en wanneer pa of ma tot de oude soort behoorde en dochter of zoon tot de nieuwe. Een onmogelijke zaak.

Los daarvan is het natuurlijk wél heel erg interessant hoe eigenschappen van populaties veranderen. Het is grappig om daarbij evolutie te zien als een reeks `uitvindingen`. De giraffen konden pas een lange nek krijgen toen ze uitgevonden hadden dat daar boven sappige blaadjes hingen, blaadjes die er natuurlijk al lang hingen maar waar de giraffen tot dan niet naar taalden. (Of zo`n uitvinding die naar een lege nis leidt een genetische of een culturele is, doet er niet eens toe.)

De uitvindingen werpen misschien ook licht op probleem 4, de vraag naar waar de overgangsvormen zijn. De giraffen vonden een lege nis en iedere neiging om nog wat hoger te rijken werd beloond met nog meer sappige blaadjes. In zulke gevallen zou de evolutie wel eens pijlsnel kunnen gaan met daarom voor ons een uiterst kleine kans om een gefossiliseerde tussenvorm te vinden. En zou zo`n eventuele zeldzame vondst als tussenvorm herkend worden? Ik vermoed van niet, de tussenvorm verschilt namelijk aanzienlijk van de oersoort én van de latere soort en zal dus wel als aparte soort een naam krijgen, giraffa halflangenekkius.

Of neem de turkse tortel die in de vijftiger jaren heel snel heel Europa koloniseerde. Europa lag daar al lang, maar er moest nog een uitvinding gedaan worden die ze daarheen deed trekken. Omdat het zo snel ging moet er logischerwijze een lege nis voor ze geweest zijn en zo kon dus in een paar generaties een enorm gebied bevolkt worden waardoor de uitersten van de populatie helemaal niet meer met elkaar een reproductieve band hadden. In zo`n geval liggen subspeciatie en vervolgens speciatie voor de hand, er is immers toch volop te eten en veel mutaties hebben dan helemaal geen gevolgen voor het overleven.

Misschien gaan we bij tortels na een klein aantal generaties net zoveel ondersoorten of soorten zien als we nu zien bij de gele kwikstaart? Hoeveel generaties kost dat en hoe uiterst klein is dan de kans om daar ooit in het fossielenarchief iets van terug te vinden? Veel uitvindingen zullen geen lege nis vinden, maar als zo`n nis gevonden wordt dan is de energievoorziening geen punt. De overgangsvormen kunnen met energie smijten maar daar zal snel een evolutionair antwoord op komen. Zuiniger is uiteindelijk altijd beter.

Als dit klopt dan is er bij dit soort gevallen helemaal geen sprake van geleidelijke evolutie en daarom geloof ik niet zo in reconstructies als het plaatje van Australopithecus afarensis dat bij het artikel staat. Rechtop gaan lopen leverde een nis op, smijten met energie was mogelijk, maar snel volgde een oplossing ter voorkoming van oververhitting. Op de knokkellopers met haar volgden vrijwel direct de kale rechtoplopers, denk ik, met maar heel eventjes harige (half)rechtoppers. Ook als de haren zouden fossiliseren is de kans dat je er zo eentje vindt ongeveer te verwaarlozen!