Eisen stellen voor de missie in Uruzgan

Aan een Haagse schertsvertoning over een bloedserieuze zaak is gisteren voorlopig een eind gekomen. In stijl, want ook in zijn laatste brief aan de Tweede Kamer neemt het kabinet geen eenduidige beslissing over de militaire missie naar Uruzgan in Zuid-Afghanistan. Gelukkig was premier Balkenende in zijn toelichting helderder. “Wat het kabinet betreft is het: we gaan“, zei hij. Dat geeft houvast. Als de Kamer de kabinetsbrief nu ook nog als een besluit opvat, ís er een besluit. Het heeft te lang geduurd voordat daarover duidelijkheid bestond. “De regering regeert', maar dat was inzake Uruzgan toch niet altijd het geval. Het kabinet heeft ronduit onhandig geopereerd. Al het laweit over procedures en crisisdreigingen valt niet de Kamer aan te rekenen, maar de bewindslieden. Het is de oogst van slappe besluitvorming - die nu juist die naam niet mocht hebben.

Welke partij hier het best mee wegkomt, moet nog blijken. De D66-fractie speelt met een afwijzing hoog spel, maar het ontbreekt haar tenminste niet aan een helder standpunt. Het CDA en de VVD hangen ieder op onnavolgbare wijze hun huik naar de wind en de PvdA houdt in dit potje blufpoker zijn kaarten het dichtst bij de borst. Kabinet en Kamer moeten zo snel mogelijk inhoudelijk over de missie gaan praten. Anders blijft politiek Den Haag nationaal en internationaal te kijk staan.

Het is ook geen sinecure, zo'n operatie die in wezen over leven en dood gaat. Deze krant heeft zich uitgesproken tegen het sturen van Nederlandse militairen naar Uruzgan onder de huidige omstandigheden. Samengevat is het troepenaantal te gering en de kans te groot dat de missie uitloopt op vechten in plaats van vrede bewaren en werken aan de wederopbouw. Nederland heeft echter, zoals eerder ook is vastgesteld, in Afghanistan een inspanningsverplichting die zwaar weegt. Het land kan niet aan zijn lot worden overgelaten en de bestrijding van het terrorisme daar is wel degelijk een westers - en dus Nederlands - belang. Bondgenootschappelijk gezien kan Nederland, met zijn moderne krijgsmacht en traditie van meedoen aan internationale vredesoperaties, moeilijk “nee' zeggen. Maar de NAVO, die in Afghanistan het bevel over de buitenlandse vredesmacht voert, is groter dan Nederland. Gelet op de druk en intimidatie vanuit het buitenland lijkt het er ineens op dat ons land de dragende kracht binnen het bondgenootschap in Afghanistan is. De feiten zijn dat vijfentwintig NAVO-lidstaten bijdragen aan de International Safety and Protection Force (ISAF) met in totaal een povere 9.100 man. De Duitsers en de Italianen zijn met ruim 2.200 respectievelijk 1.900 militairen het best vertegenwoordigd. Een grote lidstaat als Polen levert zes man; Denemarken - in grootte vergelijkbaar met Nederland - heeft 163 militairen gestuurd (stand 19 december 2005). Van deze bondgenoten is over Uruzgan bar weinig vernomen. Als de NAVO voor Afghanistan en voor Uruzgan in het bijzonder meer wil betekenen, dan dient aan een belangrijke voorwaarde te worden voldaan: het sturen van meer troepen.

Meer militairen betekent dat er meer tijd nodig is voor de voorbereiding. Dat laatste bepleitte met recht de in Afghanistan geboren Qader Shafiq eergisteren op deze pagina. Een Nederlandse militaire missie in Uruzgan zou onder gewijzigde omstandigheden van meer troepen en meer voorbereidingstijd wél aanvaardbaar zijn. Ook is een duidelijker kabinetsstandpunt gewenst over wat nu ondergesneeuwd dreigt te raken: de mensenrechten van Afghaanse terreurverdachten. Pas deze week zei minister Kamp (Defensie, VVD) dat het Amerikaanse gevangenkamp Guantánamo Bay dicht moet. Dat was rijkelijk laat. De missie in Uruzgan en de onacceptabele Amerikaanse aanpak van terreurverdachten zijn verschillende zaken die elkaar desalniettemin raken. Balkenende en de zijnen kunnen een voorbeeld nemen aan de Duitse bondskanselier Angela Merkel, die al aan de vooravond van haar bezoek aan Washington (en eerder dan Kamp) zei dat Guantánamo dicht moet.

Het inhoudelijke debat over Uruzgan, voorzover nog niet begonnen, kan nu echt beginnen. Als “niet-gaan' geen optie is, moet “gaan' eerst een kwestie zijn van onderhandelen en eisen stellen.