De truc van Milton Friedman

Is Milton Friedman van zijn geloof gevallen? Het lijkt er wel op, vindt de econoom Robert Kuttner in het Amerikaanse maandblad The American Prospect. De “hogepriester van de ideologie dat de markt werkt maar de overheid niet' heeft in zijn laatste werk, aldus de auteur, niets dan lof voor een overheidsinstantie als de Federal Reserve tijdens het regime van de voormalige topman Alan Greenspan.

En die ging, zo stelt de auteur vast, toch een stuk verder dan het stabiel houden van de prijzen, de enige taak die de centrale bank volgens Friedman hoort te hebben. Sterker nog, nooit was de Fed actiever dan onder Greenspan. Daar waren ook goede redenen voor, betoogt de auteur in zijn commentaar op Friedmans laatste onderzoek. Bij de beursval in oktober 1987 bijvoorbeeld verloor de markt in een dag 22,6 procent van zijn waarde. Dat is bijna het dubbele van de waarde die de markt in een dag verloor bij de beursval in 1929. In de jaren tachtig en negentig, schrijft de auteur, greep de Fed van Greenspan ten minste zes keer in. Zo zorgde Greenspan in 1990 persoonlijk voor een garantstelling voor Citibank, die zich vertild had aan leningen aan derdewereldlanden.

In gesprek met Kuttner blijft Friedman echter bij zijn mening dat dit soort ingrepen past binnen het handhaven van prijsstabiliteit. De auteur stelt vast dat Friedman zich beroept op een gebrek aan kennis zodra het debat zich op een terrein begeeft waar “de feiten niet kloppen met zijn theorie“. Ook de goede ervaringen met de Fed van Greenspan brengen hem niet af van zijn standpunt dat de overheid nergens goed voor is.

Hoe de markt en de overheid in de praktijk werken, blijkt onder andere uit de rechtszaak tegen de top van het failliete Enron. Het Amerikaanse tweewekelijkse zakenblad Fortune bespreekt de aanklachten tegen topman Kenneth Lay, zijn opvolger Jeffrey Skilling en hun ondergeschikten Andrew Fastow en Richard Causey. De vier mannen staan vanaf 30 januari terecht, samen met dertig andere managers van het failliete Enron, tot 2001 de op zes na grootste Amerikaanse onderneming.

Het hele verhaal gaat uiteindelijk, schrijft het blad, over verraad. Verraad aan de beleggers, de werknemers en de klanten. Toen topman Lay zijn personeel op 26 september 2001 verzekerde dat “het derde kwartaal er uitstekend uitzag“ wist hij volgens de openbare aanklager al dat het bedrijf voor dat kwartaal dik op verlies stond, zoals drie weken later bekend werd.

De auteur van het artikel, Roger Parloff, heeft ervaring als advocaat van witteboordencriminelen. Hij verwacht dat Lay en Skilling de vermoorde onschuld uithangen om de zwartepiet door te schuiven naar hun ondergeschikten, de financiële managers. Vooral Fastow, lange tijd Skillings beschermeling, is het mikpunt.

Tegen Skilling heeft de openbare aanklager nog wel een kans, denkt de auteur. Maar het zal heel moeilijk zijn om de verdenkingen tegen Lay hard te maken. “Opmerkelijk genoeg“, aldus de auteur, “wordt Lay niet verdacht van betrokkenheid bij Fastow's fraudes, hoewel hij er meer van profiteerde dan wie ook. Van 1998 tot 2001 verdiende hij 19 miljoen dollar salaris en 217 miljoen dollar voor de verkoop van aandelen en opties.“

Het idee dat een werkelijk vrije wereldmarkt vanzelf zal leiden tot welvaart en vrede voor allen, is een utopie. Barry Lynn schrijft dit in een artikel in het Amerikaanse kwartaalblad The National Interest over “de diepgaande wederzijdse afhankelijkheid tussen Amerika en China“. Immers, “het gezond verstand en de geschiedenis leren ons dat zo'n passieve houding zeer onverstandig is“. In 1914 bijvoorbeeld verklaarde Duitsland Engeland de oorlog in de wetenschap dat Engeland niet genoeg capaciteit had voor het produceren van metaal voor granaten, omdat de Engelsen de productie daarvan hadden uitbesteed aan Duitsland. Het vrijemarktdenken heeft volgens de auteur de laatste vijftien jaar een beleid van laisser faire in de hand gewerkt die de onafhankelijkheid van Amerika bedreigt en die de stabiliteit van de wereldeconomie ondermijnt.

Voor het Amerikaanse beursweekblad Barron's kan de vrijheid van de markt niet ver genoeg gaan. Natuurlijk is het helemaal fout dat vier kleine Indiaanse stammen 52 miljoen dollar betaalden aan lobbyist Jack Abramoff, die het geld gebruikte om politici over te halen tot bevoorrechting van de casino's van de Indianen. Maar ja, wat wil je in een sector die bestaat uit 400 casino's met inkomsten van in totaal 20 miljard dollar. Regulering heeft geen zin, vindt het blad: er zal altijd geld zijn voor het behartigen van speciale belangen. Het enige dat misschien helpt is publicatieplicht van alle donaties aan alle politici en politieke partijen, in combinatie met zware straffen. Dan is het tenminste duidelijk wie wie koopt en dan kunnen de kiezers daar zelf hun oordeel over geven.

Herman Frijlink

    • Herman Frijlink