De pre-waterloo-opa

Het begint in oktober 2001. Bij bouwwerkzaamheden aan de noordkant van Vilnius, de hoofdstad van Litouwen, schuiven bulldozers grond weg en komt een aantal skeletten bloot te liggen. Bij nader inzien blijken het er wel tien. De lokale pers maakt er een bericht van, maar 't is net na 9/11 en de wereld is er niet bij met zijn hoofd.

Massagraf met de lijken van Napoleontische soldaten van de Grande Armée van 1812 bij Vilnius, Litouwen. Photo taken 31 March 2002 of the skeleton of a Napoleonic soldier, who died of exposure during the French Army's 1812 retreat from Moscow, discovered on a Vilnius construction site. The remains of an estimated 1,000 soldiers of Napoleon's Grand Army were dumped in a ditch, which is thought to be the largest mass grave of Napoleonic soldiers ever found. --OBLIGATORY MENTION "AFP PHOTO - CNRS/UNIVERSITE DE LA MEDITERRANEE - PASCAL ADALIAN AFP

Toch pikt het AFP (23 oktober 2001) het bericht op: verdacht graf gevonden onder Sovjet-basis. Het leek erop dat de overblijfselen al in de eerste helft van de twintigste eeuw waren begraven, maar het Openbaar Ministerie van Vilnius was toch een onderzoek begonnen. Forensisch deskundigen zouden nagaan of de doden wel een natuurlijke dood waren gestorven. Het betreffende terrein was altijd door militairen gebruikt: tsaristische Russen, Polen, Duitsers en sovjet-Russen. De eerste indruk was dat er minstens één Poolse soldaat in het graf lag.

Pas na dagen drong door dat hier resten waren gevonden van de Grande Armée waarmee Napoleon in juni 1812 Rusland was binnengevallen. Dat leger, ruim 500.000 man sterk, was via Vilnius opgetrokken en werd, na “Berezina', gedwongen in december 1812 ook via Vilnius weer naar huis te gaan. Toen was er er nog maar een fractie van over.

Inmiddels zijn al meer dan tweeduizend lichamen gevonden. De skeletten tonen weinig sporen van geweld, noteerde een ernstige antropoloog. De soldaten zijn vooral gestorven van uitputting, honger en kou. “De vreemde verkrampte houding waarin ze zijn begraven is opvallend.'

Een heel leger onder de grond en niemand die het wist. Volkomen vergeten. Soldaten van Napoleon in Vilnius? Verdwaald dan misschien. Alsof de vreselijke eindstrijd van de Grande Armée in Vilnius niet tot in detail beschreven is in de literatuur. Door Tolstoj bijvoorbeeld of door de Britse diplomaat Robert Wilson die door Jacques Presser in zijn “Napoleon' wordt geciteerd: “Toen de bevroren lijken met twintig of dertig tegelijk in sleden werden weggevoerd om in een massagraf buiten de stad te worden geworpen waren de verschillende houdingen, waarin de dood ze gelaten had, zeer merkwaardig om te beschouwen.' Volkomen vergeten.

Later kwamen de Franse onderzoekers die door de Litouwers waren opgetrommeld of zomaar lont hadden geroken. Zij bevestigden dat het een Frans leger was dat daar lag, maar gaven eerlijk toe dat het niet alleen Franse soldaten hoefden te zijn. Het konden ook Duitsers, Nederlanders of Italianen zijn. Na verleende toestemming braken zij links en rechts wat kiezen uit kaken om daarin, met de modernste technieken, naar vreemd DNA te zoeken. En waarachtig, dat werd gevonden. De opwindende conclusie was dat de soldaten van Napoleon niet alleen leden aan dysenterie, koorts en longontsteking maar ook waren getroffen door vlektyfus. Overgebracht door kleerluis. Het haalde de wereldpers.

Nu weer Presser die deze maal Paul Holzhausen citeert: “...tenslotte de plaag waar zelfs Napoleon de ellende van heeft meegedragen: het ongedierte. Men krabt zich de huid open, enz.' En verderop: “Terwijl de Russen voorlopig achter de Njeman blijven, sluipt een vreselijke vijand over de grensrivier achter de Fransen aan en grijpt wat hij nog grijpen kan: de vlektyfus.' De resten Grande Armée hebben dan net Vilnius verlaten.

Kleerluis, vlektyfus: uitgezocht, opgeschreven en netjes gepubliceerd en toch ook totaal vergeten. Terwijl er nota bene nog genoeg mensen moeten zijn die kunnen zeggen dat hun grootvader voor de slag bij Waterloo geboren was en die dagboeken uit die tijd nog gewoon in familiebezit hebben.

Want de inmiddels 86-jarige Wolfgang Wagner, directeur van de Wagner Festspiele in Bayreuth, is niet de enige die kan beweren “dat zijn grootvader werd geboren toen Napoleon nog moest worden verslagen' zoals deze krant op 28 juli noteerde. Hoeveel Nederlanders zouden er eigenlijk zijn die net als Wolfgang Wagner een opa van vóór 1815 hebben? Met deze vraag richtte Jaap E. uit Amsterdam zich prompt tot de AW-redactie. “Er zijn bosjes mensen van boven de tachtig, die dus uiterlijk omstreeks 1920 zijn verwekt . Als de vader op dat moment 60 jaar was, en diens vader bij zijn verwekking ook 60, dan zit je al op 1800. Er is dus zelfs speling. Met wat kennis van bevolkingsopbouw en statistiek moet dit op te lossen zijn.'

De vraag was: wiens kennis? Het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut in Den Haag leek de aangewezen bron maar de poortwachter van het instituut zag dat anders: Wij houden ons niet bezig met dit soort vrijblijvend gegoochel.“ Toch verbond zij door met onderzoeker Frans van Poppel die zich juist bij uitstek met dit soort gegoochel lijkt bezig te houden. Hij had de ontbrekende gegevens.

Alleen langs de weg van “de oude vaders' is het bezit van een pre-Waterloo opa haalbaar. Het toeval wil dat Van Poppel, met Kees Mandemakers, nog geen vier jaar geleden een studie over “Vaders op leeftijd' publiceerde in het vakblad Demos (februari 2002, op internet). De context was anders maar dat doet er niet toe. De auteurs berekenden de gemiddelde vaderleeftijd voor de periode 1812-2000 en noteerden in een aparte grafiek het percentage geboorten met een vader ouder dan 50 jaar.

Geloof het of niet, maar rond 1925 lag dat op ongeveer 2 procent. De gemiddelde leeftijd bij het vader worden (elke keer opnieuw) is dan ongeveer 34 jaar.

Van AW-wege is aangenomen dat het percentage vaders ouder dan 55 rond 1925 ongeveer 1 is geweest. Het Statistisch Jaarboek van het CBS laat zien dat er op dit moment ruim 1,5 miljoen Nederlanders zijn met een leeftijd tussen 70 en 90 jaar. Die zijn omstreeks 1925 geboren. Ongeveer 15.000 daarvan hadden dus een vader van 55 of ouder. De bulk van die oude vaders zal zo rond 1865 geboren zijn. Maar toen lag het percentage oude vaders flink hoger. Het aandeel 55-plus vaders houden we nu op 2 procent. Zo komen we tot de ruwe schatting dat er wel 300 Nederlanders zijn die een pre-Waterloo grootvader hebben. Meer nog mischien, want niet zelden wordt een kind van een oude vader zelf ook een oude vader. Dat is “sociaal bepaald'.

In Litouwen zal dit alles niet heel veel anders zijn. Maar de herinnering aan de Grand Armée was er niet mee geholpen.

    • Karel Knip