De politiek incorrecte doch eloquente Marokkaan is opgestaan

Ze spuien hun gal over de Nederlandse samenleving en dat doen ze niet zachtzinnig. Susan Smit over het succes van politiek incorrecte Nederlands-Marokkaanse artiesten. Susan Smit over het succes van politiek incorrecte Nederlands-Marokkaanse artiesten

FILM: Mimoum Oaïssa (l), hier in Het Schnitzelparadijs, speelt ook in Shouf Shouf de film- en tv-serie. scene uit de film Het Schnitzelparadijs

Toen een groep schrijvers vorig jaar een Marokkaanse acteur inhuurde om op een literair festival gestalte te geven aan hun pseudoniem Yusef el Halal (auteur van de roman Man zoekt vrouw om hem gelukkig te maken), kreeg de Marokkaan prompt een column in de Vlaamse krant De Standaard aangeboden. ,,Iedereen vond het geweldig dat de politiek incorrecte doch eloquente Marokkaan eindelijk was opgestaan“, zegt Jacob van Duijn, een van de auteurs achter het pseudoniem.

Inmiddels bestaan ze ook in het echt: Marokkaanse kunstenaars die geen blad voor de mond nemen in de multiculturele discussie. Muzikanten, acteurs, schrijvers en cabaretiers spuien hun frustraties over de Nederlandse samenleving: het verkeerd begrepen worden, het aan de zijlijn staan, het vechten tegen vooroordelen. En dat doen ze in hun eigen idioom, in de rauwe taal van de straat. De vraag of dat de autochtone en allochtone groepen in de samenleving nu polariseert of juist nader tot elkaar brengt, lijkt niet mee te spelen. Het gaat erom dat de zaken worden besproken en niet mooier worden gemaakt dan ze zijn.

En daarmee zijn we volgens acteur Mimoun Oaïssa (Shouf Shouf Habibi!, Schnitzelparadijs) aanbeland bij fase drie van de allochtonenemancipatie. In De Filmkrant zei hij: “Stap 1: er zijn helemaal geen vreemdelingen te zien op het witte doek. Stap 2: ze zijn er wel, maar worden gezien door witte ogen en krijgen hooguit één clichématige scène. Stap 3: de clichés worden uitgediept en op de korrel genomen. Stap 4: allochtonen worden als mensen benaderd.“

Mogen we u voorstellen:

TELEVISIE & FILM

Op televisie plaatsen jonge, eigenzinnige Marokkanen zich op de voorgrond. Cabaretier Najib Amhali en schrijver/performer Khalid Boudou beloven in hun wekelijkse talkshow, die dit jaar door de Vara uitgezonden wordt, het nodige maatschappelijk engagement. In Shouf Shouf! De serie , een tv-bewerking van de speelfilm Shouf shouf habibi!, is er naast ongezouten maatschappijkritiek veel spot en zelfspot. In een discussie over levenshouding, bijvoorbeeld, zegt een van de Marokkaanse personages: “De enige juiste instelling die ik ken, is de sociale dienst.“

In Shouf Shouf! wordt de kijker verleid om in de huid van Marokkaanse jongeren te kruipen, in plaats van over ze te praten. Wederzijds begrip kan een gevolg zijn, maar is geen doel op zich. De serie is niet negatief, maar ook niet positief gekleurd en laat het vallen en opstaan zien van minderheden in de Nederlandse maatschappij. Vooral het vallen komt royaal in beeld, want de lach in Shouf Shouf! is er vaak een van leedvermaak. “Ik werd een beetje moe van al dat zwaarmoedige multiculturele drama rondom nieuwe Nederlanders“, zegt Robert Kievit, hoofd drama bij de Vara die de serie coproduceert. Het was wat mij betreft hoog tijd om een multiculturele comedy te maken met scherpe humor en thema's die passen in de wereld van nu. En die wereld is niet meer zo roomblank als vijftig jaar geleden.“

Het is niet alleen door idealisme ingegeven dat de Marokkaanse artiesten op dit moment alle ruimte krijgen. Er spelen ook commerciële belangen mee: de Marokkaanse jeugd is een consumentengroep om rekening mee te houden. Shouf Shouf Habibi! was in 2004 de best bezochte Nederlandse bioscoopfilm. De multiculturele verfilming van Khalid Boudou's Het Schnitzelparadijs trok in acht weken tijd ruim driehonderddertigduizend bezoekers naar de bioscoop.

RAP

“Soms word ik kwaad door wat ik hoor op straat', rapt frontman Rocks van de Amsterdamse hiphopgroep THC (Tuindorp Hustler Click), “allochtoon, ik hoor het woord te vaak/ en het stoort me vaak/ Vandaar dat dit gevoel wordt gevoeld door velen/ de straat is overspoeld met jonge multiculturelen/ met dezelfde visie, op zoek naar hogere posities/ niet te stoppen door de wet of de politie'.

Als de jongens van THC niet uit Tuindorp maar uit een voorstad van Parijs afkomstig waren geweest, dan hadden ze wellicht gehoord tot de rappers tegen wie een deel van het Franse parlement vervolging wil instellen wegens “aanzetten tot haat en geweld'. Hun opzwepende rapteksten zouden hebben bijgedragen aan het geweld in de Franse probleemwijken dat in november tot een uitbarsting kwam.

De “kutmarokkanen' laten zich niet alleen zien en horen, ze hebben ook een dwarse zakelijke instelling. THC sloot een voor de platenindustrie ongebruikelijke deal met hun platen- en distributiemaatschappij Walboomers Music: een volledig gelijkwaardige samenwerking.

Het motto van Rocks, frontman van THC, luidt: “Zonder vertrouwen geen verraad'. Als je niemand vertrouwt, kun je ook door niemand verraden worden. Een nogal gedesillusioneerde blik op de maatschappij, zou je zeggen, maar het is ook op te vatten als een teken van vastberadenheid en onafhankelijkheid. De jongens van THC zijn heilig overtuigd van hun eigen kunnen en volgen hun eigen pad.

SCHILDERKUNST

Kunstenaar Rachid Ben Ali raakt in zijn schilderijen en in interviews niet alleen de pijnpunten in de Nederlandse samenleving aan, maar ook die in de Marokkaanse gemeenschap. Zijn uitgesproken kritiek op conservatieve imams en zijn openlijke homoseksualiteit leverden hem ten tijde van zijn expositie in het Cobramuseum, begin 2005, bedreigingen op vanuit extremistische moslimkringen. Ben Ali vindt het belangrijk om in zijn kunst een visie op de tijdgeest neer te zetten: “Anders is het me te vrijblijvend. Je moet aan mijn werk duidelijk kunnen zien wanneer het gemaakt is.“

Ben Ali ziet het als een morele verplichting om zich als kunstenaar uit te spreken. “Ik kan me voorstellen dat niet iedereen een soort Hirsi Ali wil zijn“, zegt hij. “Toen ik bedreigd werd en met bodyguards rondliep, vroeg ik me ook wel eens af waar ik mee bezig was. Toch wil ik mijn mond blijven opentrekken. Ik vind het niet van veel lef getuigen als je de dingen waarover je je opwindt niet aankaart.“

POEZIE & LITERATUUR

Khalid Boudou's Het Schnitzelparadijs, een multiculturele liefdesgeschiedenis, won in 2001 al het Gouden Ezelsoor als best verkochte literaire debuutroman. In Boudou's tweede roman is kritiek op het politieke klimaat in Nederland opnieuw niet van de lucht. “Regeren is niet anders dan reclame maken, beste burgers“, schrijft hij in De president. “Als wij roepen dat er gevaar is, zult u gevaar zien.“ Joesoef, een illegale aspergesteker, schopt het dankzij voorkeursstemmen, het theehuis, de familie en de vlooienmarkt tot gemeenteraadslid en uiteindelijk tot president van Zapland, een fictief land dat met zijn “meningentelevisie en inspraakavondjes' zomaar Nederland zou kunnen zijn. Zijn bijeengeraapte kabinet van collega-aspergestekers maakt het ene na het andere opportunistische statement en lijkt daarmee verdacht veel op de nieuwe populistische partijen. In het vergiftigen van een blaffende hond in een portiek, “waarna de bewoners het stuk voor stuk deden voorkomen alsof ze wel eens een nacht met de hond hadden doorgebracht', kunnen we met enige fantasie de politieke moord op Theo van Gogh herkennen.

Boudou's uitgever, Oscar van Gelderen van Rothschild & Bach, zal in januari het poëziedebuut Doekoe van de schimmige dichter Rachid uitbrengen. Het is een bundel rauw getoonzette gedichten over seks, criminaliteit en geweld. Een fragment: “Met mijn neus aan poeierpuin/ zoek ik de straat/ Ik ben een complexe machine van haat/ en ik scan het plein.'

Van Gelderen zegt zelf ook niet te weten wie achter het pseudoniem Rachid schuilt. De gedichten ontving hij via e-mail en aangezien Rachid in de gevangenis zegt te zitten, overhandigde hij het contract en voorschot aan een tussenpersoon. Van Gelderen: “Ik werd naar een coffeeshop in de Spuistraat gestuurd en heb een middleman wat poen gegeven.“

In de mailwisseling die volgde, schreef Rachid aan Van Gelderen dat hij opgroeide in Amsterdam-West, vanaf zijn vijftiende drugs dealde, twee jaar later “wat hoertjes op de Wallen had zitten' en in VWO-5 afhaakte. Van Gelderen twijfelt aan dit verhaal: “Als er straks een 21-jarige blondine opstaat die zegt Rachid te zijn, nou, gefeliciteerd.“ De critici van de oude garde zijn gewend om navelstaarderige romans van blanke middelbare mannen te bespreken, zegt Van Gelderen, maar nu krijgen ze Doekoe om hun oren, dat vol staat met straattaal, hedonisme en materialisme. “De taalvernieuwing komt op dit moment van de jonge Marokkanen, niet van de Nederlandse auteurs.“

Of Rachid nu werkelijk een Marokkaanse bajesklant is of misschien toch een jonge blondine uit de polder: de keuze voor het pseudoniem Rachid onderstreept de populariteit van Noord-Afrikaanse auteurs.

    • Susan Smit