De manke reus van Pécs

Met mijn broertje Maurits rijd ik vanuit het zuidoosten van Hongarije westwaarts door een desolaat winterlandschap. Troosteloze dorpjes, voormalige coöperaties met verouderde, wegroestende landbouwmachines, eindeloze velden, modderige zijwegen, weinig bos, kale akkers, hier en daar een perceel waar de verbruinde maïs nog niet is gerooid.

Het landschap wordt heuvelachtiger en aantrekkelijker richting Pécs, de stad met de Zsolnay aardewerkfabriek, de mateloos ambitieuze burgemeester en de gelukkige binnenhaler van het predikaat “Culturele hoofdstad van Europa' voor 2010. Achter de Zsolnayfabriek staat op de heuvel een toren. Het is het enige gebouw ter wereld dat geheel uit pyrograniet is opgebouwd. Het is de 100 jaar oude kapel van de familie Zsolnay.

De Zsolnay-familie heeft in Pécs de beroemde aardewerkfabriek gesticht. Vooral de Pestzijde van Boedapest is vergeven van het prachtigste Zsolnay-aardewerk aan de gevels en op de daken. De kleurige, paradijsvogelachtige elementen in het Pester stadsgezicht zijn te danken aan de Zsolnay familie en de duivelskunstenaars die in hun fabrieken werkten. In onze tuin staat een Zsolnay-fontein uit 1881. Maurits en ik vinden een kleine, vlotte bedevaart gepast.

Onderaan de heuvel is een muur met vier pilaren. De pyrograniet tegels die de bovenzijde sierden, zijn op de meeste plekken gerauscht. Van de kleurige aardewerk vazen op de pilaren hebben de vandalen er één laten staan. We lopen het lange pad naar boven. Links voor de toren zijn spuuglelijke blokkenflats gebouwd, waarmee de verantwoordelijke autoriteiten enkele decennia geleden niets anders hebben willen zeggen dan: we vegen onze billen af met de Zsolnays en hun monument.

De toren is breed als een watertoren. De deur aan de achterzijde staat op een kier. Ik roep. Er is niemand. Wij dalen op de tast de duisternis in en komen in een cirkelvormige crypte. Er is schaars licht dat door de deur en de ramen van boven binnenvalt. In het midden staat een bakbeest van een sarcofaag. In de cirkelvormige wand zijn uitsparingen waarin doodskisten geschoven kunnen worden.

Op fluistertoon, die gepast is als je illegaal de crypte van onbekenden betreedt, zegt Maurits: “Zullen we weer gaan?“ Ik loer in het donker en steek mijn vingers voorzichtig uit naar de sarcofaag. Dan slaat de deur dicht en horen we een schurend geluid van iets groots dat langzaam langs de wand naar beneden schuift. Onze ogen moeten wennen aan de duisternis.

Onderaan de trap rijst het silhouet op van een man bij wie zelfs mijn broertje Maurits - die de lengte en de schouders van een wereldkampioen zwaargewicht heeft - schriel afsteekt. De reus is mank en heeft een druppelvormige jaren zeventig bril op, zoals Lee Towers ze pleegde te dragen. Hij zou de autistische Hongaarse neef van Lee kunnen zijn. De neef die tot zijn 28ste levensjaar in de kelderkast opgesloten is geweest en alleen rauw vlees te eten heeft gehad.

Voordat de gigant de kans krijgt ons dood te slaan begroet ik hem pisvriendelijk en leg in rudimentair Hongaars uit dat we met de beste bedoelingen in de grafkelder zijn afgedaald. Hij vraagt: “Deutsch?“

Hij knipt een lamp aan en begint ongevraagd, maar des te dwingender een rondleiding. Opstappen is uitgesloten.

We worden gedwongen met onze rug langs de muur te schuifelen. Af en toe worden wij geïnstrueerd te hurken, voor optimaal effect: “Optimum difference. Optimum positio.“

De schijnwerper waarmee hij de olie-achtige Zsolnay tegels belicht bestaat uit een peertje in een met zilverfolie omwikkelde, bodemloze wijnfles.

“Pur, pur! Brill optiek. Minus licht. Minus licht.“ Hij begint op mijn zenuwen te werken. Ik voer het wandschuiftempo op. Vrouw, kinderen en de paarden wachten in Somogy op onze komst.

“Stop, stop!“ Hij steekt een hand zo groot als een tennisracket uit om aan te geven dat we de tijd moeten nemen. We moeten steeds weer door de knieën.

Als mijn broertje frisse lucht gaat inademen, onder het mom dat hij zijn fototoestel uit de auto haalt, onderbreekt onze gids de rondleiding opdat Maurits geen woord van zijn uitleg zal missen. Ik kijk zo bewonderend mogelijk om me heen en vraag, empatisch als ik ben, waarom hij met zijn been sleept. Hij antwoordt dat hij bij een ongeluk op de Duitse autobaan zijn rechterbeen is verloren. Om te tonen dat hij niet uit zijn nek kletst nodigt hij me uit zijn bovenbeen te betasten. Ik wil niet onbeschoft zijn en tik in het halfduister tweemaal keurend met mijn knokkels op het bovenbeen. Dat voelt inderdaad meer als een vliegtuigvleugel dan als mensenvlees.

Een Zsolnay familielid vertelt me enkele dagen later hoe onder het communisme het mausoleum door de autoriteiten opzettelijk veronachtzaamd werd. Op zoek naar juwelen en gouden tanden schonden onverlaten de graven, men probeerde de sarcofaag te lichten, aartsengel Gabriël werd met een geweer van de toren geschoten en de eosine tegels werden op grote schaal van de muren gebikt. De crypte deed jaren dienst als vuilnisbelt en latrine. In 1985 verzamelden twee Zsolnay broers wat ze aan botten en schedels uit de puinhoop konden redden. Ze begroeven de resten op de publieke begraafplaats, waar twee voormalige huishoudsters van de familie twee belendende graven beschikbaar stelden.

Zodra Maurits terug is vervolgt de gids zijn hermetisch didactische betoog. Na vele “Optimum reflexio! Optimum color!“ en “Pur! Pur!“ - Maurits en ik beginnen hem zachtjes na te praten in de hoop dat hij het idee zal krijgen we hem begrijpen - komt er na een uur een einde aan het surrealistische college. We moeten ieder 200 forint (75 eurocent) betalen en krijgen een foldertje mee. In de auto zie ik dat de reus voor ons het kinder- en studententarief heeft gerekend.

jaap@scholten.hu