De Fietsspelling

Nooit meer hoor ik dat iemand gepiepeld is of zich heeft laten piepelen. Een jaar of tien, vijftien geleden was het in vooruitstrevende kringen een gewoon woord. Stomstomstom! hoorde je iemand zeggen. Daar ben ik als (of door) de eerste de beste dorpsidioot gepiepeld. Hij had zich laten oplichten. Het ging om kleine bedragen, een snip op z'n hoogst. Voor een snip gepiepeld wilde zeggen: voor honderd gulden opgelicht. Een biljet van honderd gulden werd ook wel snip genoemd omdat er de afbeelding van een snip opstond; of ook wel meier. Ieder bank- of muntbiljet had een bijnaam. Duizend gulden: een roje rug, of roodje of rug. Een geeltje was 25 gulden. De eurobiljetten hebben nog steeds geen bijnamen. Piepelen komt in de tiende druk van de Grote Van Dale, 1976, nog niet voor; wel in de dertiende van 1999. Moet het gehandhaafd worden? Eruit gegooid? Vraag het koning Salomon. En als die tot verwijdering zou besluiten, bestaat dat woord dan niet meer?

Sinds zijn eerste uitgagve in 1864 verleent het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal aan ieder woord dat erin wordt opgenomen de taalkundige zijnsbevestiging, in spelling en omschrijving van de betekenis. Als een woord er niet instaat, bestaat het niet. Als mensen het over een woord niet eens zijn, is er al vlug iemand die zegt: maar zo staat het in de Van Dale, en zo wordt het gespeld. En daarmee is de discussie afgelopen. Of: was afgelopen. Want het lijkt dat die tijd op z'n einde loopt.

Een van de oorzaken is de nieuwste spelling. De invoering van iedere nieuwe spelling veroorzaakt altijd het gebruikelijk verzet. Het vertrouwde woordbeeld gaat verloren, oude teksten worden steeds minder toegankelijk, de discontinuïteit in de cultuur wordt ermee bevorderd, niemand weet meer waar hij aan toe is, enz. Omdat ik me al had voorgenomen, de spelling die ik nu gebruik voor de rest van mijn schrijvend leven niet meer te veranderen, heb ik er geen belang bij, te weten hoe ik bepaalde woorden anders zou moeten opschrijven, en dus heb ik de discussie niet tot in detail gevolgd. Maar wel gelezen dat bepaalde kranten, waaronder deze, en nog meer instituten van het geschreven woord hebben laten weten dat ze de nieuwe voorschriften aan hun laars zullen lappen. Ik hoop dat ze het zullen volhouden.

Maar afgezien daarvan. In 1934 werd door de minister van Onderwijs Hendrik Pieter Marchant de nieuwe spelling ingevoerd. In de eerste klas van de lagere school had ik geleerd dat onze aarde bewoond wordt door menschen. Dat waren er toen iets meer dan 1,9 miljard. Op gezag van de minister werden dit, toen ik in de tweede klas zat, van de ene dag op de andere mensen. Aan zo'n gedaanteverwisseling moet je als kind wennen. Het is toen het hele Nederlandse volk snel gelukt, iedereen gehoorzaamde de minister, maar de mensch is nooit helemaal verdwenen. Nee, komt zelfs weer terug. Een mensch is een ouderwets mens, een wezen van vóór 1934, niet in leeftijd maar in levenshouding.

Na Marchant zijn er nog drie of vier nieuwe spellingen afgekondigd. Het gebruikelijke verzet ebde weg en al vlug wist iedereen niet beter dan dat hij zijn hele leven lang al in de nieuwste spelling had geschreven. Maar er kwam ook verzet. In progressieve kringen werd aksie gevoerd om tot een nieuwe kommunikaatsie te komen. Schrijf je nu op zo'n manier dan denken de jongeren waarschijnlijk dat je een mensch bent. Daar gaat het niet om. Het nieuwe verzet was geboren, de eerste individuen hadden zich, nog als beperkte groep, in hun spelling oppermachtig verklaard; ongeveer zoals Napoleon zichzelf bij de Paus tot keizer heeft gekroond.

En nu, bij deze nieuwe spelling, hebben we misschien de volgende stap gezet. Een commissie van specialisten kan redeneren en decreteren wat ze wil, maar wij doen onze eigen zin. Vergelijk het spellen met een andere typisch Nederlandse bezigheid: het fietsen. In de tijd van Marchant werd er ook veel gefietst. Alle fietsers hadden een bel en een wit achterspatbord, ze reden rechts, nooit door een rood licht of op de stoep en na zonsondergang hadden ze een brandend achterlichtje en aan de voorkant een fietslantaren. Bleven ze op een of ander punt in gebreke, dan kregen ze een bekeuring van een rijwielagent. Niet zo lang geleden is de tijd aangebroken dat een beetje fietser altijd door rood reed, links op de stoep en bij nacht en ontij zonder een bewijsje van verlichting. De rijwielagenten waren verdwenen.

Er is een kentering aangebroken. Het fietsen op de stoep is tot een verworven recht geworden en je mag altijd door rood, maar de verlichting komt terug. Je kunt nu lampen kopen die op batterijen branden en die je op je fiets of aan je jas of je muts kunt klemmen. In alle kleuren, wit, staalblauw, rood natuurlijk, knipperend, flikkerend, wat je maar wilt. Geen misverstand meer. De andere mensen op de weg weten: er komt een fietser aan. Daarmee is de gemeenschappelijke afspraak van de zichtbaarheid op een andere manier hersteld: niet meer volgens de collectieve discipline uniform maar binnen de grenzen van de mogelijkheden effectief.

Het lijkt me niet uitgesloten dat het met de spelling op den duur dezelfde kant op zal gaan als met het fietsen, en hoe sneller de nieuwe spellingen op elkaar zullen volgen, hoe waarschijnlijker het wordt. Dan gaan namelijk de mensen zelf bepalen hoe ze, onafhankelijk van de officiële voorschriften, volgens eigen smaak en inzicht het minimum aan algemene verstaanbaarheid kunnen bewaren. Zo wordt Nederland dan een land met zestien miljoen spellingen.

    • S. Montag