China is een wereldmacht als vervuiler

China en India heten officieel nog steeds ontwikkelingslanden, maar met hun snelle economische groei behoren ze inmiddels tot de grootste vervuilers in de wereld.

Er zijn domweg niet genoeg grondstoffen in de wereld om de snelle economische groei van landen als China en India nog lang bij te houden. “Als China en India [...] in 2030 per inwoner net zoveel grondstoffen zouden gebruiken als Japan, zouden die twee landen samen een complete planeet aarde nodig hebben om aan hun grondstofbehoefte te voldoen“, schrijven de onderzoekers van het World Watch Institute, een onafhankelijke Amerikaanse denktank, in hun deze week verschenen, jaarlijkse rapport State of the World.

Op dit moment verbruikt een Amerikaan gemiddeld zeker dertien keer zoveel olie als een Chinees en zelfs dertig keer zoveel als een Indiër om aan zijn consumptiebehoefte te voldoen. Als die laatsten net zoveel olie zouden gebruiken als die Amerikaan, hebben alleen China en India dagelijks honderd miljoen vaten olie nodig, dat is meer dan de 85 miljoen vaten die de wereld als geheel nu verbruikt.

China en India - goed voor zo'n 40 procent van de wereldbevolking - worden nog steeds tot de ontwikkelingslanden gerekend, maar in hun grondstofverbruik en ook in hun vervuiling is dat al lang niet meer zo. In het Kyoto-protocol bijvoorbeeld, waarin wereldwijd afspraken zijn gemaakt over het terugdringen van het broeikaseffect, vallen China en India (en trouwens ook Brazilië en Argentinië) nog in dezelfde categorie als landen als Mali en Bangladesh: ontwikkelingslanden die zich niet hoeven te bekommeren om hun uitstoot van broeikasgassen.

Op een klimaatconferentie deze week in het Australische Sydney - het Asia-Pacific Partnership met onder meer de VS, Australië en China als deelnemers - maakte de Indiase minister van Milieu Raja dat nog eens duidelijk. “Wij zijn ontwikkelingslanden, we hebben onze eigen agenda voor onze ontwikkelingsactiviteiten, we kunnen dus geen enkele toezegging doen, geen enkele verplichting aangaan om onze emissies verder te verminderen“, aldus Raja. India en China hebben weliswaar het Kyoto-protocol ondertekend, maar dat had voor henzelf verder geen consequenties. Toch staat China nu al op de tweede plaats als het gaat om de uitstoot van kooldioxide in de wereld. Sinds 1990 is die uitstoot met 67 procent toegenomen. In India zelfs met 88 procent.

Een van de problemen is dat China en India voor hun energiebehoefte vooral gebruik maken van steenkolen. Vorig jaar berekende de Amerikaanse krant Christian Science Monitor dat alleen al in China in de komende decennia 562 nieuwe kolencentrales zullen verrijzen die jaarlijks 1,7 miljard ton CO2 de lucht in zullen blazen (ter illustratie: “Kyoto' vermindert de uitstoot in 2012 jaarlijks met 483 miljoen ton CO2).

De economische groei in China heeft volgens het World Watch Institute niet alleen gevolgen voor de energievoorziening. Door de snelle economische veranderingen produceert China bijvoorbeeld minder landbouwproducten. Bovendien neemt de behoefte aan onder andere graan en sojabonen toe. Als in China de graanconsumptie op Europees niveau zou komen, zou het land 40 procent van de huidige graanproductie in de wereld nodig hebben. Door de groeiende vraag stijgen de prijzen en neemt de druk op de wereldmarkt toe. Volgens het World Watch Institute leidt dat tot hogere prijzen en tot milieuproblemen in bijvoorbeeld Latijns Amerika, waar onder druk van de toenemende vraag de productie dreigt te worden opgevoerd zonder rekening te houden met het milieu.

Het World Watch Institute adviseert een grotere bemoeienis van de geïndustrialiseerde landen met duurzame ontwikkeling in China en India. Maar bijeenkomsten als de recente klimaatconferentie in Sydney zijn wat dat betreft niet hoopgevend. “Je kunt geen goed milieu hebben als dat ten koste gaat van de economie“, zei de Australische minister van Milieu Ian Campbell tijdens de conferentie. “Milieugroepen zijn erop gebeten om de economie te vernietigen, om de levensstandaard van mensen te vernietigen en daarmee vernietig je uiteindelijk het milieu.“

    • Paul Luttikhuis