“Zo verliefd op Indische Johnny'

In de zevende aflevering van “17', een serie gesprekken met bekende vrouwen over hun jeugd, schrijfster Mensje van Keulen.

“Op mijn geboortekaartje staat: “Met dank aan God geven wij kennis van de geboorte van onze dochter Mensje Francina van der Steen. Wij noemen haar Mennie.' Ik ben genoemd naar mijn grootmoeder. Mijn schrijversnaam is Mensje, maar voor vrienden en in de familie heet ik nog steeds Mennie.

“Mijn vader bracht van kantoor doorslagvellen mee en daar zat ik altijd op te tekenen. Op datzelfde papier schreef ik dagboekachtige stukjes. In mijn pubertijd werden dat gedichtjes en weer later verhaaltjes, meestal griezelig. Het schrijven, het tekenen en schilderen waren altijd even sterk aanwezig, maar het een ontwikkelde zich los van het ander.

“Op de lagere school vielen de tekeningen op. Mijn ouders waren trots op me. Als er familiebezoek was, moest ik mijn schilderijen laten zien en dan werd er geroepen “Oh, dat heeft ze van oom Henk'. Je moet altijd iets hebben van de familie hè? Ook was het wel eens van: “Het lijkt wel Picasso.' Of: “Nou, het lijkt wel behang.'

“Op de middelbare school zei de directeur: “Je moet Nederlands gaan doen.' De tekenleraar zei: “Je moet naar de Academie.

“Ik was verliefd op Indische Johnny, dat zou voor eeuwig zo blijven. Om hem ging ik naar een waarzegster. Ze zei: “Ja, Indische Johnny wordt echt jouw man.' Haha. Nee dus.

In het begin van mijn tienertijd hing ik dat hoerige type aan. Brigitte Bardot, dat was hoge toetharen met een sjaaltje er omheen, petticoats. Ik was pro-vetkuif, helemaal Elvis, rock & roll, stiekem uitgaan, dansen in het Zuiderpark.

“Daarna kwam mijn “artistieke' periode. Ik begon mijn haren strak te trekken: zwarte broek en cape, zwarte coltrui, naast rock en soul jazzmuziek. Mijn vader had een hekel aan die zwarte kleren : “Trek toch eens iets fleurigs aan!'

“In die tijd merkte mijn moeder dat ik meer ruimte nodig had. Mijn zusje begon te puberen, ze stal mijn kleren en ging op tekeningen staan die nog nat waren, dus werd er verderop in de straat een kamertje voor me gehuurd, waar ik in alle rust mijn huiswerk kon maken en kon schilderen. Een kamer niet groter dan tweeënhalf bij tweeënhalf. Een bed, een rond tafeltje, twee leunstoeltjes en een gewone stoel. De gewone stoel werd mijn ezel en aan het tafeltje schreef ik. Dat waren de gelukkigste momenten: dat ik op dat kamertje zat, de geur van olieverf, en tot diep in de nacht - terwijl je bijna omviel van de slaap - nog zat te schilderen, met alleen zo'n peertje als verlichting. En vervolgens heerlijk sliep in die geur. Ik ontdekte dat dit soort eenzaamheid heel aangenaam was.

“Op de openbare hbs ging het mis. In de klas zaten van die heftige Haagse jongetjes. Een van de jongens wilde steeds maar zoenen en als ik dan terugzoende, kreeg ik een naaktblaadje mee naar huis, dat viste mijn moeder vervolgens onder mijn bed vandaan. Ik deed mijn huiswerk niet meer en moest naar een keurige middelbare school voor meisjes, geleid door nonnen van het Sacré-Coeur.

“Ik was daar niet erg gelukkig, maar raakte bevriend met een ouder, rijper meisje dat na een affaire met een onderwereldjongen, die de koning van de Boekhorststraat werd genoemd, van school moest. Ik heb me weten aan te passen, al deelde ik de smaak en voorkeuren van de andere meisjes niet en heb ik me al die tijd een buitenbeentje gevoeld.

“Een vanzelfsprekende carrière? Het zat er in en ging er niet meer uit. In die zin was het vanzelfsprekend. In Propria Cures schreef ik en tekende ook politieke en literaire cartoons. Het tekenen en schilderen werd evenwel steeds minder, en uiteindelijk heb ik voor het schrijven gekozen.

“Ook toen ik ging trouwen, dacht ik dat het voor altijd zou zijn. Het kinderlijke verlangen: je ouders zijn er voor altijd, en je broertje en zusje. De hond, de kat zullen nooit doodgaan, alles zou altijd blijven. Wanneer het dan misgaat in een huwelijk, krijg je dat ongelooflijke vasthouden hè? Alles proberen om... want het is toch bedoeld om voor altijd te zijn? Op een gegeven moment merkte ik dat ik in staat was tot een soort horigheid, maar ook tot razernij.

“Sinds mijn debuut in 1969 heb ik een twintigtal boeken geschreven. Aan sommige heb ik jaren gewerkt. Het schrijven wordt moeilijker terwijl de buitenwereld denkt dat je een routinier bent. Je wilt jezelf niet herhalen, de zelfkritiek neemt, onhoudbaar soms, toe.

“Ik ben wel geworden wat ik altijd wilde. Maar als ik terugkijk: al dat worstelen, al die nachten opzitten, al die energie om uit die ene alinea te komen...

“Je verandert wel degelijk naarmate je ouder wordt. Die foto: Je kijkt naar een persoon die je niet meer lijkt te kennen, die anders is, die je niet meer bent. Dat gevoel leed te willen bezweren en wat goed is vast te willen houden dat is bij mij nooit veranderd. Ook draag ik nog steeds meestal zwart.“

    • Frank Dam