Zó rekruteer je dus lezers

Zij: “U heeft eens gezegd: “Vrouwen kunnen niet schrijven'.'

Hij: “Dat heb ik nooit gezegd. Dat zegt ú!'

Zij: “Nee, ik citeer u.'

Hij: “Ik heb eens gezegd: Dúitse vrouwen kunnen niet schrijven.'

“Ooh!' roept zij uit, in stomme verbazing.

De zaal barst in lachen uit.

Bovenstaande dialoog komt niet uit een theaterstuk over twee kibbelende critici, nee, het is een citaat uit een live gesprek tussen de Duitse critici Marcel Reich-Ranicki en Elke Heidenreich. Bijna anderhalf uur lang debatteerden zij tijdens het Keulse literatuurfestival lit.Cologne eerder dit jaar. En dat is nu te beluisteren op de cd Wozu lesen?

Is luisteren naar een gesprek over literatuur niet saai? Zowel Reich-Ranicki als Heidenreich heeft televisie-ervaring (hij met zijn befaamde Literarische Quartett en zij met haar programma Lesen!) en dat heeft als voordeel dat zij zich bewust zijn van hun publiek. Ze doen wat acteurs ook doen: ze gaan op in hun spel, hun debat, en tegelijkertijd verliezen ze geen seconde het contact met de zaal. Ze hebben gevoel voor drama, voor ritme, voor een mooie balans tussen ernst en luim, tussen agressie en beminnelijkheid. Met als resultaat dat een vol Opernhaus - én deze luisteraar van de cd - aan hun lippen hangt.

De twee boekfanaten spreken over niet de minste zaken: de canon, literatuurkritiek en de macht van de criticus, over poëzie, schrijvers als Franz Kafka en Marcel Proust en over “Unterhaltungsliteratur' (makkelijke romans). Ze gaan niet op de knieën voor “de lezer', iets waar programmamakers in Nederland een ziekelijke neiging toe hebben (zeker als het voor de tv is). Integendeel, ze dwingen gepassioneerde betrokkenheid af.

De twee citeren erop los, ze dragen zelfs een gedicht voor, en vooral Reich-Ranicki komt met de nodige komische uitweidingen. Hij permitteert zich wel eens een cliché, bijvoorbeeld wanneer hij 3beweert dat poëzie onvertaalbaar is, maar dankzij zijn retorisch vernuft kun je dat wel hebben. “Polen,' zegt hij, “is het land van de lyriek, maar lyriek kan niet vertaald worden. Er is een grote Poolse dichter, misschien wel de grootste, misschien de op een na grootste: Juliusz Slowacki.' “Nooit van gehoord,' zegt Heidenreich. “Niémand kent hem,' reageert Reich-Ranicki triomfantelijk, “en weet je waarom niet? Hij is zó goed dat hij onvertaalbaar is.'

Gelukkig toont Reich-Ranicki zich hier niet de schreeuwlelijk uit zijn Quartett, hij laat zijn gespreksgenote gewoon uitpraten. Toch is zij vaker de aangever en hij degene die het publiek bespeelt. Maar ze voeren het gesprek met dezelfde inzet, ze hebben met hun werk dezelfde missie: het rekruteren van lezers. Ze vertellen dat zij zich in de Duitse romantische traditie plaatsen van Friedrich Schiller, Heinrich Heine en Gotthold Ephraim Lessing, die niet voor een handjevol collega's schreven maar in hun artikelen de lezer voor ogen hielden. Reich-Ranicki spreekt bijvoorbeeld begeesterd over Joyce maar hij citeert ook Kurt Tucholsky, die de Ulysses vergeleek met “Liebig's Fleisch-Extract': “Je kan het niet eten maar duizenden koken er hun soep uit.' “Mooi gezegd', mompelt Heidenreich, “mooi gezegd', terwijl in de zaal het applaus losbarst. Hoezo zijn gesprekken over literatuur saai, hoezo zou er geen publiek voor zijn?