Wilt u een coup of liever een putsch

De wensen van het volk, de crisissituatie in het land en de terroristische dreiging zijn de normale legitimeringen van staatsgrepen. Maar twee op de vijf daarvan mislukken. Hoe moet het eigenlijk?

February 23, 1981 photo showing Spanish Civil Guard Lt. Col. Antonio Tejero, center, arm raised, during an attempted coup in the Spanish Parliament. On Friday, Feb 23, 2001 will mark the 20th anniversary of the failed coup attempt. (AP Photo/EFE, Manuel Barriopedro) Associated Press

Staatsgrepen waren in de tweede helft van de 20ste eeuw een populaire manier om aan de macht te komen. In veel derdewereldlanden vond een wisseling van de macht zelfs vaker plaats door een coup d'état dan door democratische verkiezingen. Die populariteit had alles te maken met het efficiënte karakter van de staatsgreep, want met een beperkte inzet van troepen kon in theorie binnen 24 uur de macht worden overgenomen. Dat is dus veel sneller dan een jarenlange guerrilla, veel hanteerbaarder dan een massale volksopstand en veel veiliger dan een grootscheepse buitenlandse interventie.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat een geheime dienst als de CIA deze vorm van machtswisseling vaak prefereerde boven de andere opties. Vooropgesteld natuurlijk, dat de voorgenomen staatsgreep ook slaagt, want op veel genade hoefden mislukte coupplegers niet te rekenen. Van de ruim vijfhonderd couppogingen die in de 20ste eeuw zijn ondernomen, mislukten er ongeveer tweehonderd. De coup d'état is dus bepaald geen risicoloos gezelschapsspel voor verveelde militairen.

Machtswisselingen zijn zo oud als de mensheid, maar van staatsgrepen kan pas sprake zijn bij de vorming van nationale staten. Als eerste moderne staatsgreep wordt over het algemeen de 18de Brumaire (1799) van Napoleon Bonaparte genoemd. Bij een moderne staatsgreep wordt meer dan voorheen belang gehecht aan een vorm van “democratische legitimatie' en een zeker draagvlak onder het volk. Voor Napoleon hield dit in, dat hij hoe dan ook benoemd wilde worden door de Nationale Assemblée (althans wat daarvan over was) en niet louter door wapengekletter aan de macht zou komen. Die behoefte aan legitimering vinden we in de 20ste eeuw vooral terug in de communiqués van coupplegers, met veel verwijzingen naar de “crisissituatie in het land' , de “communistische (tegenwoordig terroristische) dreiging' en de “gerechtvaardigde wensen van het volk'.

Napoleon

Over de techniek en de ontwikkeling van de staatsgreep zijn interessante studies verschenen. Sommige daarvan presenteren zich zelfs als een handboek en het onlangs verschenen How to Stage a Military coup. From Planning to Execution van Hebditch en Connor past in die traditie.

De eerste serieuze studie naar de coup d'état, is De techniek van de staatsgreep uit 1948 van de Duits/Italiaanse schrijver Curzio Malaparte. In een fraaie essayistische stijl vergelijkt de schrijver de 18de Brumaire van Napoleon met enkele staatsgrepen uit het begin van de 20ste eeuw, zoals die van Lenin (1917), Kapp (1920), Mussolini (1922), Hitler (1923), Primo de Rivera (1923) en Pilsudski (1926).

In zijn analyses toont Malaparte aan dat een moderne staatsgreep niet alleen een zekere legitimatie vereist, maar bovenal gericht moet zijn op de kern van de moderne samenleving. In het begin van de 20ste eeuw is dat niet zozeer de politieke macht, maar veeleer de macht over de infrastructuur: de elektriciteits- en telefooncentrales, de spoorwegstations, de fabrieken, enz. Dat is ook de reden waarom de coup (nog altijd ten onrechte de Oktoberrevolutie genoemd) van Lenin en Trotski in 1917 slaagt, terwijl de Putsch van Kapp in 1920 mislukt.

Vijftig jaar later ligt het zwaartepunt bij de macht over de media. Bijna een running gag bij couppogingen in de Derde Wereld is de bestorming van het enige radiostation in het land. De macht over de media wordt vaak belangrijker geacht dan de bezetting van het presidentieel paleis. Aan het eind van de 20ste eeuw - met een groot aanbod aan media die men niet naar de hand kan zetten - ontstaat een andere manier om de steun van de media te verwerven: de (geregisseerde) volksopstand.

Met de “revolutie van het volk' op de Filippijnen in de jaren tachtig en de volksopstanden in het Oost-Europa van begin jaren negentig als voorbeeld, worden veelal in samenspraak met de nationale strijdkrachten machtsovernames voorbereid die ogenschijnlijk in gang worden gezet door ontevreden burgers. Soms is dat inderdaad het geval, zoals in Georgië, Oekraïne en Kirgizië, zij het dat het besluit van de top van de strijdkrachten om niet te interveniëren vaak doorslaggevend zal zijn geweest. In andere gevallen - zoals in Ecuador en bij de val van Milosevic in voormalig Joegoslavië - heeft de “burgerrevolutie' een dermate planmatig karakter, dat deze veel trekken gaat vertonen van een regelrechte staatsgreep.

Hausse

De eerste systematische studie van de coup d'état is het vaak onderschatte The Man on Horseback - The Role of the Military in Politics (1962) van Samuel E. Finer. Gebaseerd op analyses van een groot aantal machtswisselingen van de klassieke oudheid tot de 20ste eeuw beschrijft Finer het karakter van staatsgrepen en de motivatie van coupplegers. Zijn stelling is, dat staatsgrepen zich vooral voordoen in landen waar een democratische traditie ontbreekt of in verval is geraakt. Het lijkt bijna een open deur in een tijdsgewricht waarin zich een hausse aan couppogingen voordoet in de vele jonge staten die net hun onafhankelijkheid hebben gevierd.

Zeven jaar later - 1969 - verschijnt het tot nog toe belangrijkste standaardwerk over staatsgrepen - Coup d'état, a Practical Handbook - van Edward Luttwak en het eerste van een reeks “handboeken'. Het boek riep destijds nogal wat discussie op, omdat Luttwak werd verweten dat hij het plegen van staatsgrepen op deze wijze in de hand zou werken. Luttwak verdedigde zich met de stelling dat een zittend bewind evenveel baat zou hebben bij het boek, omdat men op grond van zijn analyses evenzeer een eventuele coup kan voorkómen.

Naast de definitie van en de voorwaarden tot een staatsgreep (die Luttwak onder meer zoekt in de economische situatie van een land) beschrijft de auteur stapsgewijs de planning en uitvoering van een coup tot aan de taakverdeling van verschillende teams en de opstelling van blokkades toe.

In diezelfde trant verschijnen latere “handboeken', zoals Coup d'état, a Practical Manual (1987) van Gregor Ferguson en The Coup - Tactics in the Seizure of Power (1994) van Bruce W. Farcau, maar geen van hen weet het niveau van Luttwak te evenaren. Het zijn toegankelijke studies met actuele voorbeelden, die het werk van Luttwak nog eens overdoen. Ferguson beschrijft een staatsgreep in (vermoedelijk) Lissabon, terwijl Farcau geslaagde en mislukte coups in Zuid-Amerika met elkaar vergelijkt.

Sponsors

How to Stage a Military Coup van Hebditch en Connor is een zeer leesbaar boek met veel recente voorbeelden van zowel geslaagde als mislukte coups, door zowel de nationale strijdkrachten van een land, als door een legertje geronselde huurlingen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de rol van de grote mogendheden als “sponsors' van staatsgrepen in onder meer Chili (1973) en Oeganda (1971).

Interessant zijn de inmiddels vrijgegeven documenten over de rol van de CIA bij de val van Allende en de machtsovername van Pinochet. En wat te denken van de betrokkenheid van diezelfde CIA bij couppogingen in Irak, met een 22-jarige Saddam Hussein in een voor menigeen nog onbekende rol?

Bij al die sprekende voorbeelden ontbreekt het echter aan een gedegen beschrijving van de voorwaarden voor een coup d'état en een analyse van bijvoorbeeld de ontwikkeling van de staatsgreep in de 20ste eeuw. Om als “handboek' te dienen is het onvoldoende uitgewerkt, dus samenzweerders met coupplannen doen er goed aan om toch maar terug te grijpen op het standaardwerk van Luttwak.

Om de leesbaarheid van het boek nog te vergroten begint elk hoofdstuk met gedetailleerde beschrijvingen van de voorbereiding van een (gefingeerde) staatsgreep in Londen. Het blijft echter bij het neerzetten van commando's op strategische plaatsen in de Britse hoofdstad, waardoor de lezer vooral blijft zitten met een gevoel van teleurstelling. Dat geldt ook voor de bijlage, waarin alleen de geslaagde coups zijn vermeld, terwijl juist de mislukte staatsgrepen het beeld completeren.

Een misser, die wellicht iets meer zegt over de onderbouwing van het boek, is de openingszin van het laatste hoofdstuk, waarin wordt geconstateerd dat “staatsgrepen tot de tweede helft van de 20ste eeuw een vrij zeldzaam verschijnsel waren'. Hier vergeet de auteur kennelijk dat in de eerste helft van de 20ste eeuw alleen Griekenland al acht couppogingen heeft gekend, Mexico zes en Duitsland vijf.

Dat zich in het post-koloniale tijdperk een hausse aan staatsgrepen voordeed, heeft niet alleen te maken met het vrijwel ontbreken van een democratische traditie in deze jonge staten (Finer), maar is niet in de laatste plaats een gevolg van het feit dat er door de dekolonisatie gewoon vier maal zoveel nationale staten waren dan aan het eind van de 19de eeuw. Een kwestie van basale statistiek, het begin van elke serieuze studie.

David Hebditch en Ken Connor: How to Stage a Military Coup. From Planning to Execution. Greenhill Books, 224 blz. euro 34,15

    • Kees M. Paling