Weet je wel wie ik ben?

De jong overleden soulzanger Sam Cooke wist met zijn knappe uiterlijk, eeuwige lach en prachtige stem bijna iedereen voor zich in te nemen. Welke duistere kanten hij had, blijkt uit een nieuwe biografie, waaraan de popbiograaf Peter Guralnick zeven jaar werkte. En Guralnick, zo blijkt uit onderstaand interview, kreeg vriend en vijand over Cooke te spreken.

Het blijft een bizar einde. ,,Lady, you shot me,'' zei Sam Cooke als een echte heer, toen motelmanager Bertha Franklin hem door hart en longen had geschoten. Even daarvoor was de soulzanger de 55-jarige vrouw te lijf gegaan, nadat hij eerst de deur van haar kantoor had ingetrapt. Hij wist zeker dat Franklin Lisa Boyer verborgen hield, de jonge vrouw met wie hij midden in de nacht een kamer had genomen in het smoezelige motel La Hacienda in Watts, de zwarte wijk van Los Angeles. Boyer was er met zijn kleren vandoor gegaan, toen hij even in de badkamer was. Slechts gekleed in zijn sportjack ging hij in zijn rode Ferrari achter haar aan. Toen hij haar op straat niet kon vinden, ging hij schreeuwend en tierend naar Franklins kantoor. Nadat Franklin hem had neergeschoten, ging hij de vrouw opnieuw te lijf. Pas toen ze hem met een eind hout op zijn hoofd geslagen had, gaf Cooke het op. Kort hierna overleed hij.

In You Send Me, de in 1995 verschenen biografie van Sam Cooke (1931-1964), liet biograaf Daniel Wolff open waarom Cooke nu precies was vermoord. Hierover ontstonden meteen na Cooke's dood al veel speculaties. Volgens sommigen was het een ordinaire roofmoord van twee vrouwen, volgens anderen werd Cooke gedood in opdracht van platenbazen of maffia. Weer anderen geloofden dat Cooke's dood het resultaat was van een samenzwering van blank Amerika tegen de succesrijkste zwarte zanger van zijn tijd. Maar Peter Guralnick, de auteur van de nieuwe Cooke-biografie Dream Boogie. The Triumph of Sam Cooke, maakt aan alle speculaties een eind. De dood van Sam Cooke is wat de politie van Los Angeles van begin af aan dacht: een uit de hand gelopen diefstal. Lisa Boyer was een vrouw die zich liet oppikken door mannen, en hun wijs maakte dat ze pas seks zouden hebben als de mannen zich grondig wasten. Waren ze in de badkamer dan ging ze er met hun kleren en hopelijk ook hun portefeuille vandoor. In het geval van Cooke heeft Guralnick weten vast te stellen dat die zijn portefeuille met 108 dollar nog in zijn jack had. Dat Franklin zich bedreigd voelde door een brullende, meer dan halfnaakte man die haar deur intrapte en haar te lijf ging, vond de politie niet vreemd.

Guralnick, die eerder onder meer Sweet Soul Music, een schitterende geschiedenis van de zuidelijke Amerikaanse soul, en een tweedelige biografie van Elvis Presley schreef, heeft nu een overtuigende en eenduidige conclusie over Cooke's dood kunnen trekken, doordat hij veel meer onderzoek heeft gedaan dan Wolff. Guralnick heeft in de zeven jaar dat hij aan Cooke's biografie werkte een onnoemelijk aantal mensen gesproken, van de broers van Sam Cooke, L.C. en Charles, en Cooke's muzikale partner J.W. Alexander tot de gewiekste manager Allen Klein, die in de laatste jaren Cooke's financiële zaken verzorgde. Maar het zijn vooral zijn lange gesprekken met Cooke's weduwe, Barbara Campbell, die hem veel duidelijk hebben gemaakt over de duistere kanten van de zanger die met zijn knappe uiterlijk, eeuwige lach en prachtige stem bijna iedereen voor zich in wist te nemen.

Heel precies vertelt Guralnick hoe Sam Cooke, zoon van een dominee, al als schooljongen in Chicago in de jaren veertig lid werd van de gospelgroep de Highway QC's. Na een paar jaar werd Cooke gevraagd door de Soul Stirrers, een van Amerika's beroemdste gospelgroepen. Ten slotte maakte Cooke in 1957 met “You Send Me' de overstap van de heilige gospelmuziek naar de duivelse popmuziek, en werd hij, na Elvis Presley, met hits als “Wonderful World' en “Chain Gang' de succesrijkste artiest van het grote platenlabel RCA.

Guralnick noemt bijna elke tournee waarbij Cooke elk jaar dwars door de Verenigde Staten trok en geeft van al die optredens lange beschrijvingen. Ook behandelt hij elke opnamesessies van belangrijke nummers van de Soul Stirrers en Cooke solo, en van Cooke's eigen platenlabel, SAR, waar oud maar vooral jonge zwarte gospel- en soultalenten kansen kregen die grote platenmaatschappijen ze niet gaven. Verder gaat hij gedetailleerd in op elke contract dat Cooke sloot met de verschillende platenmaatschappijen waar hij platen voor maakte.

Van elk belangrijk nummer geeft Guralnick een uitgebreide analyse, van de beroemde gospel “Nearer To Thee' in de versie van The Soul Stirrers via de wonderlijke monotone hit “You Send Me', tot “A Change Is Gonna Come', zijn zwanenzang waarin hij commentaar leverde op de sociale en raciale misstanden in de Verenigde Staten. Slechts een paar keer moet Guralnick zijn toevlucht nemen tot de formule dat Cooke's zangkunst “zich aan analyse onttrekt'. Meestal weet hij er veel over te zeggen, al mondt dit wel eens uit in geëxalteerd proza. Zo schrijft hij over “Nearer To Thee': “Sam echoing, guiding, touching, trading off word for word until at last they reach the almost wordless peroration of the song, a grace note, a singular manifestation of purity, a momentary glimpse of transfiguration, but one that is almost immediately abandoned for the transforming experience all over again.'

Dat Guralnicks zinnen vol gedetailleerde informatie toch niet afmatten of vervelen, komt doordat hij de passages over Cooke's werk prachtig heeft verweven met beschrijvingen van zijn persoonlijke leven. Daar komt bij dat hij dit op verschillende manieren doet. Soms citeert hij, inclusief taalfouten, uitvoerig zegslieden als de soulmuzikant Bobby Womack, dan weer is hij de alwetende verteller die weet wat er omgaat in de hoofden van de personages. En vooral de informatie die Cooke's tweede vrouw Barbara Campbell geeft hij weer als een monologue intérieur.

Ook de vele anekdotes voorkomen dat de enorme omvang Dream Boogie tot een loodzwaar boek maakt. Zo vertelt Guralnick dat Little Richard, met wie Cooke een paar optredens in Groot-Brittannië deed, voortdurend rondliep met een kolossale bijbel waarin hij steeds aantekeningen maakte. Voor veel geld had Little Richard, die de rock 'n' roll had afgezworen en dominee was geworden, zich laten overhalen om in Engeland toch weer eens duivelse muziek te maken. Maar in ruil hiervoor moest de Britse impresario wel voor lief nemen dat hij voortdurend voor duivel werd uitgemaakt. Toen de nieuwsgierig geworden impresario zijn 9-jarige zoon tijdens een optreden van Little Richard stiekem in die bijbel liet kijken, bleek deze vol te staan met pornografische tekeningen van de herenliefde.

Behalve muziek zijn vrouwen en seks de rode draad van Cooke's leven. Dit was al bekend uit de eerdere Cooke-biografie, maar Wolff maakte er tien jaar geleden, heel discreet, slechts summier melding van. Uit Dream Boogie blijkt nu dat Cooke duizenden vrouwen moet hebben gehad. Een huwelijk weerhield hem daar niet van en dat Cooke tot 1957 uitsluitend de lof van de Heer zong, had op zijn seksuele gedrag ook geen enkele invloed. Guralnick wordt niet moe om te vermelden dat Cooke na dit of dat optreden opnieuw aan de haal ging met een of liefst meer vrouwen. Een keer lag hij zelfs met vijf vrouwen in bed. Hierbij keek hij niet op een nazaat meer of minder. Guralnick noemt vier buitenechtelijke kinderen met naam en toenaam, maar het moeten er veel meer zijn. Verschillende keren raakte Cooke hierdoor in moeilijkheden, want niet alle zwanger geworden vrouwen namen genoegen met zijn verdwijning. Zo werd Cooke een keer bij een optreden in 1958 gearresteerd wegens een rechtszaak die een vrouw tegen hem had aangespannen omdat hij weigerde bij te dragen in het levensonderhoud van een kind dat ze van hem had. Later trof Cooke een schikking met haar.

Voor ze zijn tweede vrouw werd, was Barbara Campbell ook een slachtoffer van Cooke. Ze was zijn jeugdvriendin, maar nadat ze een kind van hem had gekregen, liet hij haar aan haar lot over. Later, na zijn eerste mislukte huwelijk, wilde Cooke alsnog met haar trouwen. Maar toen bleek dat Barbara zwanger was van haar nieuwe vriend, liet de jaloerse Cooke doorschemeren dat hij haar pas zou terugnemen als ze zich had laten aborteren. Die abortus was aanvankelijk geen reden voor Cooke om zich te vertonen. Toen ze ten slotte tóch in het trouwden, bleek hun huwelijk ongelukkig, zeker nadat hun 1-jarig zoontje door nalatigheid van Sam Cooke en onoplettendheid van zijn vrouw in het zwembad van hun huis was verdronken. Ook het feit dat Cooke haar in elkaar sloeg na een vaag vermoeden van geflirt met een ander, droeg niet bij tot het huwelijksgeluk.

Cooke's houding tegenover buitenechtelijke seks is niet de enige dubbelhartigheid die Guralnick vaststelt. Sam Cooke wist van begin af aan precies wat hij wilde - beroemd en rijk worden met popliedjes - maar vaak was hij hierover onduidelijk tegen zijn zakelijke en artistieke partners. Het liefst vertelde hij ze helemaal niets van zijn beslissingen die altijd in het voordeel van hemzelf waren. Toen hij zijn jeugdgroep de Highway QC's inruilde voor de veel beroemdere Soul Stirrers liet hij de andere leden van Highway QC's in de waan dat hij bij hen zou blijven.

Maar hij was ook genereus en bleef de door hem verlaten groepen altijd steunen. Ook stak hij veel van zijn eigen geld in de talenten die hij voor SAR muziek liet opnemen en gaf hun ook prachtige kant-en-klare songs die ze onder zijn regie opnamen. Hij drukte ze op het hart oprecht te zijn, hun zwarte afkomst niet te verloochenen en rauwheid niet te schuwen, maar zelf maakte hij onder leiding van de producers Hugo en Luigi vaak mierzoet gearrangeerde nummers voor de grote platenmaatschappij RCA. Hij was bijna altijd goedlachs en gaf iedereen het gevoel dat al zijn aandacht alleen naar hem of haar uit ging, maar ontstak in razernij als hij het gevoel kreeg dat hem onrecht werd aangedaan. Hij was bescheiden en voelde zich niet te goed om met zwervers een praatje te maken, maar bij ruzie riep hij al gauw: “Weet je wel wie ik ben, motherfucker? Ik ben Sam Cooke!“

Cooke las alles wat los en vast zat, van Aristoteles tot de geschiedenis van de zwarten in Amerika, waarover hij een omvangrijke blibliotheek had. Hij weigerde als een van de eerste zwarte artiesten te spelen in zalen waar zwart en blank publiek van elkaar gescheiden waren en in zijn laatste levensjaren raakte hij betrokken bij de burgerrechtenbeweging. Maar toen hij enkele maanden voor zijn dood in de beroemdste nachtclub van Amerika, de Copacabana in New York, mocht optreden, speelde hij nauwelijks eigen soulnummers en vooral veel standards die een blank publiek zouden bevallen. Hij kon alle vrouwen krijgen die hij wilde, maar kreeg aan het einde van zijn leven een voorkeur voor hoeren.

Nauwkeurig brengt Guralnick al Cooke's tegenstrijdigheden in kaart. Maar nooit velt hij er een oordeel over. Hij doet zelfs geen enkele poging om Cookes complexe karakter te verklaren en houdt zich verre van welk gepsychologiseer dan ook. Het is alsof zijn precieze karakteriseringen van Cooke slechts één doel dienen: duidelijk maken dat het geen toeval was dat Sam Cooke in de nacht van 10 op 11 december 1964 werd doodgeschoten.

Peter Guralnick: Dream Boogie. The Triumph of Sam Cooke. Little, Brown and Company, 721 blz. euro 25,50

    • Bernard Hulsman