Voor eens en altijd een racist

Wat was het leven vroeger eenvoudig, verzuchtte iemand in het toneelstuk Paradise is Closing Down van Pieter-Dirk Uys - in 1992, kort nadat de apartheid in Zuid-Afrika niet langer regeringsbeleid was. “God, alles wat je hoefde te doen was een illegaal T-shirt aantrekken en zonder proces achter slot en grendel gaan, als investering in een toekomstig internationaal martelaarschap. Maar dat hoofdstuk is nu afgesloten.'

Hier spreekt niet alleen een fictief theaterpersonage, maar ook de schrijver zelf. Toen zijn land nog werd geregeerd door politici die allemaal Botha leken te heten, was Pieter-Dirk Uys de stem van een blanke Zuid-Afrikaanse minderheid die de apartheid bestreed met vileine grappen op de grens van wat wettelijk nog was toegestaan. Hij behoorde tot een groepje theatermakers dat in Kaapstad voorstellingen speelde die officieel besloten waren toeliet en daarom konden worden toegelaten. Maar ook wie zo slim was om steeds door de mazen van het net te glippen, kon in botsing komen met de censuur. Al was het maar omdat het verboden was grappen over de censuur te maken.

Het beeld dat Uys in Between the Devil and the Deep van die jaren oproept, is spannend, rijkgeschakeerd en af en toe nauwelijks te geloven - alsof het over iets van heel vroeger gaat, in plaats van een situatie waar nog maar vijftien jaar geleden een eind aan kwam. En het is, omdat het over een klein clubje gaat dat artistieke vrijheid bevocht op een kleinburgerlijke, bange overheid, onvermijdelijk ook een verhaal over kameraadschap en kleine heldendaden waarop met enig heimwee wordt teruggekeken. Zelf ontwijkt Uys in zijn memoires weliswaar de valstrik waarin zijn toneelpersonage trapte, maar soms kan hij een nostalgische toon niet onderdrukken.

Zo ensceneerde The Space, de club waartoe hij behoorde, op een zaterdag een provocerend nummertje straattheater. Ze deden net alsof er een huwelijksvoltrekking gaande was. Met blijde gezichten liep er een bruidspaar met wederzijdse familieleden over de grote markt van Kaapstad. In één opzicht verschilde de stoet echter van de reguliere bruidsstoeten die men hier zag. De bruid was zwart en de bruidegom wit. En de familieleden die zo genoeglijk meeliepen, waren dus ook zwart én wit.

Kaapstad keek zijn ogen uit - dit was nog nooit vertoond. Het was bovendien strikt verboden, het kón helemaal niet. Toevallig passerende politieagenten kregen prompt versterking. Allengs drong er een politiekordon door de menigte toeschouwers. Uys en de zijnen wilden het echter niet tot een lijfelijke confrontatie laten komen. Toen de situatie te gespannen leek te worden, stapten ze in hun auto's en reden weg.

Uys vertelt het in geuren en kleuren, nog nagenietend van de poets die ze het gezag destijds bakten. Zoals hij ook grinnikend noteert dat hij in die tijd regelmatig zelf (anonieme) klachten over zijn voorstellingen naar de autoriteiten stuurde. Eén klacht was immers voldoende voor gerechtelijk onderzoek, waarvan steeds door de kranten melding werd gemaakt. Zodoende was hij telkens verzekerd van gratis publiciteit.

Het zou hoogst onheus - en onzin - zijn om hem ervan te beschuldigen dat hij het apartheidsregime idealiseert. Niets is minder waar; allerlei passages over de alledaagse angst in die tijd bewijzen het tegendeel. Bovendien doet Uys zich niet beter voor dan hij is. Hij stelt meteen al vast, dat iemand met zijn achtergrond - telg uit een blank Zuid-Afrikaans gezin dat de Dutch Reformed Church toegewijd was - niet anders dan een geboren en getogen racist kan zijn: “Zoals een alcoholicus die niet meer drinkt, moet ik elke dag beginnen met toe te geven dat ik een racist ben, en daarom geen racist zal zijn. Het is een fulltime-job te vechten tegen het gemak van het vooroordeel en de terloopse manier waarop we iemand pijn kunnen doen door slordig woordgebruik.'

Ook schrijft Uys uitgesproken kritisch over de boycot die zijn land trof. De economische boycot (“hete lucht en hypocrisie') werd aan alle kanten ontdoken en de culturele boycot had volgens hem alleen maar negatieve gevolgen: terwijl er niets meer uit Europa doordrong, werd het land overspoeld door Amerikaanse invloeden. “Nu, in onze jonge democratie, spreken we Amerikaans, denken we Amerikaans en eten we Amerikaans', constateert hij bitter.

En ten slotte schrijft hij minstens zo opstandig over het huidige bewind in Zuid-Afrika. In zijn laatste soloshow, waarmee hij vorig jaar ook hier op tournee was, speelde Uys de eertijdse president P.W. Botha, met een buikspreekpop op schoot in wie de huidige president Thabo Mbeki te herkennen was. Eerst stelde hij sardonisch vast dat Thabo een anagram van Botha is. Daarna liet hij Botha aan Mbeki vragen hoe deze toch zo makkelijk van al die arme zwarten in zijn land afkomt, terwijl hij daar zelf vroeger veel harder voor moest werken. “Negeren is veel beter', antwoordde de pop Mbeki, duidend op het veronachtzamen van de aids-ramp in Zuid-Afrika. Wat de apartheid niet is gelukt, aldus Uys, lukt aids wél: meer dan zeshonderd doden per dag.

Pieter-Dirk Uys: Between the Devil and the Deep. A Memoir of Acting and Reacting. Zebra Press, 260 blz. ca. euro 23,-.

Pieter-Dirk Uys treedt tijdens Winternachten op za. 21 jan. op.