Van bonke bonke bonk

De negentiende-eeuwse Nederlandse dichter Hendrik Tollens is veel beter dan zijn Franse tijdgenoot Victor Hugo, zo beweerde de neerlandica Marita Mathijsen. Niet waar, zegt Rudy Kousbroek: ,,Elke ironie is Tollens vreemd, alleen al daarom is hij de mindere van Hugo.“

Hendrik Tollens. gravure J.H. Hofmeister/Spanjer

In de Wetenschapsbijlage van vorige week zaterdag schreef Marita Mathijsen onder de titel “Tollenstwist' over haar verschil van mening met twee mannen, van wie ik er een ben (de andere is Kees Fens). De aanleiding tot die twist, aldus Marita Mathijsen, is dat zij “ooit ergens', ze weet niet precies meer waar, gezegd heeft dat zij Hendrik Tollens “een even groot dichter vindt als Victor Hugo'.

Ja, dat herinner ik mij nog heel goed. Het was in deze krant, een jaar of wat geleden, in een interview met Mark Duursma, en ze zei toen niet dat Tollens even groot was, ze zei dat hij groter was dan Victor Hugo. Zij heeft dat nog wel vaker beweerd - geen wonder dat ze het vergeten is. In dat interview staat: “Als Mathijsen zegt dat ze de poëzie van Hendrik Tollens beter vindt dan die van Victor Hugo wordt ze aangekeken of ze gek is. Aan het eind van het gesprek komt ze er nog eens op terug...“

Overigens was ik het niet, die Marita Mathijsen bij die gelegenheid vreemd heb aangekeken, want ik kende haar nog niet; maar ik weet nog wel wat ik dacht: iemand die zoiets zegt kent niet genoeg Frans. Of niet genoeg Tollens. Of allebei.

Ik dacht dat niet lichtvaardig: ik ben met Tollens opgegroeid. In mijn familie werd hij vereerd; mijn grootmoeder had nog handgeschreven gedichten van hem en zowel zij als mijn vader kenden grote delen van zijn poëzie uit hun hoofd. Ikzelf ook, trouwens: toen ik kennis maakte met Marita Mathijsen heb ik voor haar het begin van “Hondentrouw' voorgedragen, zodat ik er zelf haast tranen in mijn ogen bij kreeg.

Die hele Tollens-cultus had trouwens iets met honden te maken. Ik denk dat de hondenliefde waarin ik ben opgegroeid een deel was van deze negentiende-eeuwse poëzietraditie. Het is wat mijn visie op honden - op dieren - gevormd heeft; dat is soms moeilijk uit te leggen, zoals het feit dat ik in de gezichten van honden vaak die van negentiende-eeuwse dichters en staatslieden herken. Kortgeleden bezocht ik nog net op het nippertje in Rotterdam de tentoonstelling Meesters van de Romantiek: Nederlandse schilderkunst 1800-1850. In de begeleidende literatuur wordt nogal geworsteld met de vraag wat nu precies karakteristiek is voor de romantische schilderkunst. Welnu, een goed criterium is de hond: op de schilderijen uit die periode komen opvallend vaak honden voor. Zoek! Er is er bijna altijd wel een.

Terwijl ik op die tentoonstelling rondliep dacht ik: ja, hier zijn we in Tollensland. Regels over het beminde dier worden daar aanschouwelijk voorgesteld, zoals: “Het zag zijn meester in't gezigt/ Reeds met een voorpoot opgeligt', of: “Toen voer een kracht, een leeuwenmoed/ Den trouwen hond door merg en bloed'.

Aan de poëzie van Tollens is te zien dat hij leefde op de grens tussen de visie op dieren als zinnebeelden en het vermenselijken zoals wij dat nu nog doen. Vandaar die zonderlinge mengeling van sentimentaliteit en afstand. Tollens is de dichter van regels als: “Alard is dood. Een traan ontsprong mijne oogen/ Toen hij de zijne sloot' - in een gedicht eindigend met de woorden: “Beschijnt hem minzaam, hemellichten!/ Hij was mijn trouwste vriend'. Ook dat gedicht heb ik uit mijn hoofd gekend, net als hele lappen uit “De overwintering op Nova Zembla', “Het turfschip van Breda' en “Kenau Hasselaar'; maar evenzo “Aan een gevallen meisje' en “Mannenkuischheid' - en niet te vergeten “De neger in de suikerplantaadje'.

Het is poëzie die voorgedragen, gedeclameerd moet worden om tot leven te komen en ik denk dat veel van deze gedichten nog bekend zouden zijn als er bij ons niet zo'n afkeer voor het theatrale bestond. Zulke poëzie blijft (voor mij) intact dankzij een subtiele overgang van sentimentaliteit naar ironie - ook iets dat in voordracht beter tot zijn recht komt.

Mathijsen schrijft in haar artikel: “Poëzie moet gevoelvol voorgelezen worden, anders blijft zij dode kunst“, en citeert dan de regels van Tollens:

Zielloos staat gij, levenloos,

Zonder klem of zwier.

Zangen, uit mijn hart geweld,

Op het koud papier.

Wie te traag, te loom van bloed,

Adem heeft noch stem.

Roer' mijn koude zangen niet:

Ze zijn dood voor hem.

Het gaat dus inderdaad over hetzelfde. Maar dat de poëzie van Tollens vergelijkbaar met - laat staan beter zou kunnen zijn dan - die van Victor Hugo, dat is niet vol te houden, zoals ook weer blijkt in dit artikel, waarin Mathijsen deze regels van Tollens vergelijkt met die van zijn Franse tijdgenoot over hetzelfde onderwerp:

Le poème éploré se lamente; le drame

Souffre, et par vingt acteurs répand à flots son âme;

Et la foule accoudée un moment s'attendrit,

Puis reprend: Bah ! l'auteur est un homme d'esprit,

Qui, sur faux héros lançant de faux tonnerres,

Rit de nous voir pleurer leurs maux imaginaires.

Mathijsen vraagt dan: “Welk gedicht is beter?“ Het lijkt mij dat daar geen twijfel over kan bestaan. Niet alleen is klank en taalgebruik bij Hugo superieur, maar ook raakt hij aan een kern die bij Tollens totaal ontbreekt, namelijk het vraagstuk van het overdreven sentiment: het feit dat wenen om imaginaire pijn aan het lachen maakt. Helaas, elke ironie is Tollens vreemd, en alleen al daarom is hij de mindere. Het is, zo ben ik overtuigd, ook als gevolg van dat gemis dat zijn uitspraken niet die opmerkelijke kernachtigheid bezitten.

Waar vind je bij Tollens een beeld als “Un affreux soleil noir d'où rayonne la nuit', of “Comme un ver qui s'enfonce aux portes de la tombe', ik doe maar een greep. In December vorig jaar verscheen de Dictionnaire égoïste de la littérature française door Charles Dantzig (uitgeverij Grasset), met in het gedeelte gewijd aan Victor Hugo de volgende passage:

“Deze boeken waarin hij, met een wonder aan inventiviteit, het woord geeft aan wolken, aan vogels, aan hulst, aan bomen, aan de hele wereld, want hij zou willen dat de hele wereld maar één lied was. De vijftig bladzijden over architectuur, waarmee hij de handeling van Notre-Dame de Paris onderbreekt: “het boek komt in de plaats van het steen'. Die ongelofelijke passage “Aan de rand van het oneindige' in de Contemplations. (Hij verliest soms uit het oog dat je beter aan de rand dan middenin kunt zitten). En het volgende is ook niet mis:

Et si vous aboyez, tonnerres,

Je rugirai.

(En als jullie gaan blaffen, o donderslagen,/ Dan brul ik het uit)..'

Ziedaar: zulke speelse kernachtigheid, dat is poëzie (tenminste, dat vind ik, want het is nu meer in de mode om te zeggen dat betekenis er niet toe doet: “er is alleen maar klank'; die is er overigens ook). Ik denk dat Tollens niet het flauwste benul had van zulke overwegingen - en dat is niet af te wentelen op een verschil in tijdgeest, want zij waren tijdgenoten. Hugo had ook een modern soort gevoel voor humor, zoals in zijn uitspraak: “Het kan me niet schelen wat het Congres doet, zolang het't maar niet op straat doet en het de paarden niet aan het schrikken maakt.“

Dat zou van Heine kunnen zijn - ook, al zou je 't bijna niet geloven, een tijdgenoot van Tollens. (Heine: 1796-1856; Tollens: 1780-1856. Nog een paar: E.A. Poe: 1809-1849; Byron: 1788-1824; Aleksander Poesjkin: 1799-1837; Shelley: 1792-1822; Stendhal 1783-1842; Bilderdijk: 1756-1831; Da Costa 1798-1860).

Het enige van Tollens dat vaag in de buurt komt van humor is als hij een kip, gevraagd waarom zij zo kakelt nadat zij een ei gelegd heeft, laat antwoorden: “dat is nu mijn recensie'. Maar zoiets is een grote zeldzaamheid in zijn werk.

Mathijsen, die overigens goed thuis blijkt in de dichtwerken van Victor Hugo, vergelijkt daarna nog Tollens' gedicht: “Bij 't lijkje van een kind', met de volgende regels van Victor Hugo:

La rose dit: - Tombeau sombre,

De ces pleurs je fais dans l'ombre

Un parfum d'ambre et de miel.

La tombe dit: - Fleur plaintive,

De chaque âme qui m'arrive

Je fais un ange du ciel!

en vervolgt dan: “Wie is een beter dichter? Ik zal het niet zeggen.“

Tja, ze moet het wél zeggen. Er is maar één antwoord. Ik vrees dat Mathijsen zich door haar enthousiasme een beetje in een hoek heeft gemanoeuvreerd en ik betreur dat, omdat ik dat enthousiasme deel en haar initiatief voor de emancipatie van de negentiende-eeuwse literatuur bewonder en toejuich. “De negentiende-eeuwse Nederlandse letterkunde is de moeite waard om gelezen te worden“, was haar slogan, “Door veel mensen.“ Daar kreeg zij ook de Prijs voor de Geesteswetenschappen voor.

Met Tollens' “Lijkje van een kind' is overigens nog meer aan de hand: het kan niet alleen niet in Hugo's schaduw staan, maar het is bovendien nogal duidelijk ontleend aan Vondel; het grenst aan plagiaat. (T: “Zie daar wiegt het, zie daar zweeft het,/ Aardse damp en druk ontvlucht;/ Hoger vliegt het, hoger leeft het,/ Zat gespeeld in lager lucht.' V: “waarom schreit ghy / waarom greit ghy op mijn lijck?/ Boven leef ick, boven zweef ick,/ Engeltje van “t hemelrijck/ enz.) Die inwendige rijmen zijn ook niet karakteristiek voor het andere werk van Tollens.

Is het denkbaar dat Marita Mathijsen zich heeft laten beïnvloeden door Tollens' geringschatting voor het Frans? Zoals ik al zei moet Hugo's opmerkelijke inzicht, dat al te pathetisch verdriet op de lachspieren werkt, voor Tollens totaal ongerijmd en verwerpelijk zijn geweest, een onderdeel van de beruchte Franse lichtzinnigheid waar hij een diepgewortelde hekel aan had, net als veel van zijn tijdgenoten (een vooroordeel dat je trouwens in Nederland ook nu nog wel tegenkomt).

Tollens kon daarbij op erbarmelijke wijze uit zijn slof schieten, zoals in de uitleg bij zijn vertalingen (Dichtbloemen, bij de naburen geplukt, 1839), waarin hij de Franse poëzie als vanzelfsprekend met een mesthoop vergelijkt: “Dit gedichtje is een der weinige parelen, die er uit den slijkpoel van Béranger zijn op te visschen'. Hij noemt Béranger “een losbandigen poëet wiens voortbrengselen stootend zijn voor eerbaarheid en zedelijkheid' - zij het minder walgelijk dan “de wulpschheid van La Martine'. Intussen vertaalde hij wel enkele gedichten van Victor Hugo, naast illustere onbekenden als Vignée, Saurin, Mangenot, Drobecq, Amable Tastu; en soms zonder naamvermelding, “naar het Fransch'.

Tollens heeft ook in een gedicht antwoord gegeven “op de vrage: waarom ik geen Fransche verzen leerde maken?' Het is een ode aan het Nederlands:

Neen, neen! het Hollandsch hart te vangen

Met lier en lied,

Vermogen wulpsche beuzelzangen

Op Fransche noten niet.

Er zijn diverse gedichten van Tollens waarin hij betoogt dat zijn poëzie zo eerlijk, ongeschoold en simpel is, een beetje of hij een eenvoudige Hollandse boerenkoolmaaltijd wilde aanprijzen boven een Frans twaalfgangenmenu - en misschien is het verschil ook wel van die orde. Het ritme is meestal eentonig (“Dreun op dan, hef dan aan, mijn lier,/ op ongedwongen maat'): “Van bonke bonke bonke bonk,/ En bonke bonke boem.' De inhoud ongeheimzinnig, zonder mysterie, zonder gewaagde vergelijkingen. Vroeg oud, zedig, zonder spot of ironie. Wat er vaak nog een zekere imbeciliteit aan geeft is het rijm, geholpen door de vele verkleinwoorden. Maar het zwakste punt is in mijn ogen de vroomheid - het is, zoals in zoveel, de ellende van de godsdienst die alles verpest.

Daar zou ik nog wel eens een genuanceerde opinie van Marita Mathijsen over willen lezen.

Want au fond zijn we het natuurlijk eens. Zoals over het gedicht Avondmijmering, de titel alleen al:

Somtijds zinkt mij 't hoofd ter neer

Op de ontgloeide borst,

En de dorst verheft zich weer,

De oude gloriedorst.

Somtijds, in mijn dier gezin,

's Avonds aan mijn haard,

Haal ik weer de droomen in,

Reeds zo vaak verjaard.

Dertig jaren dring ik door,

Drijf ik uit mijn oog,

En herroep de tijd er voor,

Die zo ver vervloog.

(... en dat gaat dan nog 88 verzen door..)

Ach, Tollens is dood. Beschijnt hem minzaam, hemellichten.

H. Tollens Cz. “Gezamenlijke dichtwerken', in 12 delen, Leeuwarden, Uitg.G.T.N. Suringar, 1855-56, (uit mijn grootmoeders bezit, een recentere uitgave is er niet). G.W.Huygens “Hendrik Tollens, de dichter van de burgerij', Nijgh & Van Ditmar, Rotterdam en Den Haag, 1972.