Overheid zorgt voor verstoring woningmarkt

De woningmarkt moet worden opengebroken, schrijft de hoogste ambtenaar van Economische Zaken in zijn nieuwjaarsartikel in het economenblad ESB.

Starterswoningen in de Amsterdamse nieuwbouwwijk IJburg. Koophuizen zijn vrijwel onbetaalbaar voor jonge starters op de woningmarkt. IJburg Foto NRC H'Blad, Maurice Boyer 050513 Boyer, Maurice

De secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken werd gisteren op zijn wenken bediend met de jongste cijfers over de stijging van de huizenprijzen. In het artikel dat hij traditiegetrouw schrijft voor het nieuwjaarsnummer van het economenblad ESB pleitte Jan Willem Oosterwijk voor liberalisering van de woningmarkt.

Het overheidsbeleid van “goede bedoelingen' met wet- en regelgeving en financiële instrumenten heeft geleid tot ernstige verstoringen: mensen met lage inkomens worden geconfronteerd met een “huurval' waardoor de doorstroming van bewoners van een sociale huurwoning stagneert. Jonge starters op de woningmarkt maken geen kans: koophuizen zijn onbetaalbaar voor hen.

“Het woningmarktbeleid van de afgelopen decennia zet mensen buitenspel. De outsiders op de huurmarkt zijn mensen op lange wachtlijsten voor de sociale woningbouw; voor de koopmarkt zijn het de (jonge) starters die geen koophuis kunnen betalen“, schrijft Oosterwijk. Hij stelt voor de woningmarkt te liberaliseren. Want minder beperkingen van het aanbod van huur- en koophuizen zullen leiden tot meer aanbod en lagere prijzen.

Om te beginnen moeten volgens hem de voorschriften van het ruimtelijke ordeningsbeleid en de kwaliteitseisen voor nieuwe woningen worden versoepeld. Maar ook moeten de financiële instrumenten van de overheid die de vraag stimuleren - huursubsidie en aftrekbaarheid van de hypotheekrente - geleidelijk worden afgeschaft.

Vorig jaar zinspeelde Oosterwijk in zijn ESB-artikel al op de onhoudbaarheid van de hypotheekrenteaftrek. Dit jaar laat hij het h-woord wijselijk ongenoemd.

Maar zijn pleidooi om dichtgetimmerde sectoren van de Nederlandse economie bloot te stellen aan de tucht van de markt, is minstens zo brisant.

De stemming in de politieke en bestuurlijke vierkante kilometer van Den Haag is niet meer zo lyrisch over liberalisering als eind jaren negentig. Met het CDA terug aan de macht is het middenveld van de sociale partners bezig aan een strategisch herstel, de PvdA heeft haar bekomst van de paarse flirt met marktwerking, de liberalen van de VVD en D66 hebben hun belangstelling voor vraagstukken van marktordening compleet verloren. Des te pregnanter is de vaststelling van Oosterwijk: de Nederlandse economie is gebaat bij verdere liberalisering, want die levert aanzienlijke welvaartswinsten op.

Hij noemt talloze voorbeelden. De hervormingen van de arbeidsmarkt moeten worden voortgezet met aanpassingen van de WW en het ontslagrecht. De beperkingen op de instroom van de spreekwoordelijke Poolse loodgieters en aspergestekers moeten worden opgeheven. Verder pleit hij voor meer marktwerking in de energiesector, de zorg, de woningmarkt en het hoger onderwijs.

In al deze sectoren is naar zijn mening sprake van tegenstellingen tussen “ insiders' en “outsiders'. Voor buitenstaanders - Poolse seizoenarbeiders, starters op de woningmarkt, nieuwe ondernemers, aanbieders van diensten, landbouwproducenten uit nietEU-landen - is de toetreding tot sectoren van de economie die beheerst worden door gevestigde groeperingen moeilijk, zo niet onmogelijk. Hervormingen moeten erop gericht zijn om publiek gereguleerde sectoren en afgeschermde markten open te stellen voor buitenstaanders van binnen én buiten de Europese Unie. “De economie moet “binnenstebuiten' worden gekeerd, zodat outsiders insiders kunnen worden“, schrijft Oosterwijk.

In één moeite door relativeert Oosterwijk de veelgehoorde opvatting dat Nederland een “open economie' heeft, omdat de Nederlandse economie sterk georiënteerd is op buitenlandse handel en open grenzen. Een les van de afgelopen jaren van economische zwakte is dat “we moeten erkennen dat Nederland geen werkelijk open economie is“, aldus Oosterwijk. “Het gebrek aan openheid betekent dat mogelijkheden voor welvaartsvergroting onbenut blijven. Buitenstaanders vormen een bron van dynamiek en vernieuwing.“

Het kabinet-Balkenende II zal hiermee niet meer aan de slag gaan. Maar Oosterwijks vaststelling bevat een aanbeveling voor de opstellers van het volgende regeerakkoord.

    • Roel Janssen