Op zoek naar Sesam-Open-U

Het geschiedwerk van Herodotos maakte van Ryszard Kapuscinski een reiziger en schrijver. De toen jonge Pool zag in de oude Griek een rasreporter die de wereld wilde beschrijven vanuit de vraag: waarom voert de mens oorlog?

COL *04.03.1934- Schriftsteller, Journalist, Polen Portr„t - 12.09.2000 Ryszard Kapuscinski ullstein - P/F/H

In november vorig jaar zat ik aan tafel met de Russische schrijfster Ljoedmila Oelitskaja. Het was in een landhuis buiten Brussel, in de open haard knetterde een vuur, een worstachtige hond vermaakte zich tussen tafelpoten en mensenbenen. Oelitskaja vroeg of iemand er bezwaar tegen had als ze rookte, ook al zaten de vijf andere aanwezigen nog te eten. Niemand protesteerde, bohémiens onder elkaar immers. Met een stem van teer vertelde de schrijfster over haar zoon, een muzikant. Hij ging naar de VS om het geluk te zoeken en raakte aan de drugs in New York. Oelitskaja nam het vliegtuig naar de VS om hem mee terug te nemen naar huis, naar Moskou. In de taxi van het vliegveld naar het centrum van New York hield ze haar ogen dicht, want, zei ze: “De kleuren deden pijn. Fysieke pijn. Mijn eerste ontmoeting met het Westen was een ontmoeting met kleuren, maar het was te veel ineens. Mijn ogen traanden zo, dat ik ze moest sluiten.'

Over een soortgelijke eerste ontmoeting met het Westen vertelt Ryszard Kapuscinski in zijn boek Reizen met Herodotos. Het is halverwege de jaren vijftig, Kapuscinski is een jaar of vierentwintig en journalist bij de krant Vaandel van de jeugd. Tot zijn verbijstering wordt hij uitgezonden naar India, hij zal het Oostblok verruilen voor een land in de verte waar hij niets van weet. Het is de eerste keer dat hij Polen verlaat, we zien een jongeman voor ons met een grote honger naar de wereld buiten de zijne. “Ik vroeg me af wat je meemaakte, als je een grens overstak. Wat voelde je, wat dacht je? Het moest een moment van grote emotie, ontroering, spanning zijn. Hoe was het aan de andere kant?' Hij denkt nog helemaal niet aan lange reizen, aan verdwalen en verdwijnen in de wereld, zijn wens is bescheiden: “Het ging mij maar om één ding, om het moment zelf, om de daad, de eenvoudige daad van het overschrijden van een grens.' Hij verwacht een magische ervaring, een transcendentale schok, wie een grens passeert keert anders terug dan hij ging. Wanneer zijn hoofdredacteur hem dan onverwachts bij zich roept en zegt dat hij naar India zal gaan, wordt zijn wens duizendvoudig verhoord. En hij wilde niet eens zo ver weg, een klein reisje naar Tsjechoslowakije was genoeg, de grens over en weer terug, maar nu gaat hij naar India! Verbijstering, paniek. De hoofdredacteur geeft hem een boek mee, Historiën van Herodotos, en zegt: “Hier, dit is van mij, voor onderweg.' Deze dingen, de eerste reis en Historiën in zijn koffer, bezegelen zijn lot: Ryszard Kapuscinski zal reiziger en schrijver zijn.

Hij maakt een tussenstop in Rome, het vliegtuig daalt, in de diepte ziet hij de stad opdoemen. “Onder mij werd de bodem van het donker waarin we vlogen over de hele lengte en breedte gevuld met licht. Het was een intensief licht dat in je ogen scheen, dat sterk trilde en flikkerde. (..) Voor het eerst van mijn leven zag ik een verlichte stad, want die paar steden en stadjes die ik tot nu toe kende, waren neerslachtig makend donker geweest, nooit schitterden er de etalages van de winkels, je zag er geen bonte reclames, de straatlantaarns, als ze er al waren, hadden zwakke gloeilampen.'

De eerste reis is het begin van vele grensoverschrijdingen, een initiatie; hij reist van een grauwe, vreugdeloze wereld de wereld van het licht binnen, van gebrek naar overvloed, van monolithische waarheden naar elegante twijfel.

Kapuscinski is beginnend reporter, het wapen van de reporter is de vraag, maar in welke taal zal hij zijn vragen stellen? Hij spreekt Pools en Russisch maar Engels, Frans of Spaans zijn hem vreemd. Na die eerste, nationale grens is er de grens van taal, die oneindig veel moeilijker over te steken is. Hij bevindt zich weliswaar in India maar is niet bij machte de mensen te verstaan in dat van zichzelf al onbegrijpelijke land. Zijn ambitie is vooralsnog groter dan zijn middelen.

Het wordt hem niet gemakkelijk gemaakt want na India verblijft hij voor Vaandel van de jeugd in China, nog zo'n reus van een raadsel. In China wacht hem een andere grens, een grens die we cultureel zullen noemen en met geslotenheid te maken heeft. De Chinese grens begint bij de gelaatsuitdrukking van haar bewoners; gesloten, naar binnen gekeerd. Die ondoordringbaarheid verbindt Kapuscinski aan het intimiderende Chinese symbool van de Grote Muur. “Naarmate de dagen voorbij gingen, begon ik de Grote Muur meer als een Grote Metafoor te beschouwen. Ik werd immers omringd door mensen met wie ik niet kon communiceren, ik werd omringd door een wereld waarin ik niet kon doordringen.' De fysieke grens van de muur zet zich voort in de levenshouding van de inwoners en de taal die ze spreken.

Zo'n vijftig jaar nadat Kapuscinski in China was, belandde ik in Xi'an, een stad in Zuidoost-China. Het was oktober 2005, ik bezocht een culturele voorstelling waarbij vrouwen in zijden jurken snaarinstrumenten bespeelden. In de zaal zaten enkele busladingen toeristen aan lange tafels te eten en keken naar het optreden dat de bevroren staatsie had van een antieke Chinese prent. Voor het toetje verliet ik de zaal. Op straat hield ik een taxi aan en vroeg de chauffeur mij naar het Sofitel te brengen. Hij glimlachte en reed weg. Omdat ik niet wist of hij me had verstaan vroeg ik “Sofitel, ok?' Hij knikte vriendelijk en schakelde naar de derde versnelling. Ik herhaalde Sofitel op verschillende, voor mij Chinees klinkende manieren. De glimlach maakte plaats voor hoofdschudden, de taxi snelde voort door die miljoenenstad in een richting waarvan ik zeker wist dat het de verkeerde was. Het was dezelfde muur van onbegrip waar Kapuscinski zijn hoofd tegen stootte. Ik vroeg me af wat er zou gebeuren als ik niet zou ingrijpen, dit kon het begin zijn van een lange, geheimzinnige reis waarvan ik de bestemming niet kende. Maar dat was romantiek, de werkelijkheid bestond eruit dat ik in een taxi zat en op geen enkele manier duidelijk kon maken waar ik naartoe moest. Irritatie won het van zin voor avontuur en ik gebaarde hem te stoppen bij een bushalte. Tussen de wachtenden bevond zich een man die Engels sprak, hij gaf de chauffeur mijn bestemming door. “Ah, Sofitel!' zei hij, keerde de auto en reed het hele eind terug. Pas later herinnerde ik me dat ik een stadsplattegrond in mijn zak had die werd verstrekt door het hotel, waar in Chinese karakters “Please Take Me To The Sofitel' op stond. Reizen in China is een Kaspar Hauser-achtige ervaring: je hebt je leven doorgebracht in een donkere ruimte, nu stap je naar buiten en bevind je je voor het eerst van je leven tussen de mensen, met wie alleen een dualistische oervorm van communicatie mogelijk is: ja/nee, honger/dorst blijven/gaan.

Kapuscinski's eerste reizen zijn onmachtig en beperken zich noodgedwongen tot de oppervlakte. Hij heeft zijn kracht nog niet ontdekt, het doordringen met zijn vragen, zijn participerende, zelfs meevoelende werkwijze. In Ebbenhout schrijft hij dat hij niet van koele, formele betrekkingen met anderen houdt, en welk continent is er geschikter voor zijn manier van werken dan Afrika? “Ik begon ook de kant van Afrika op te gaan', schrijft Kapuscinski, “omdat Azië me vanaf het begin al in verlegenheid bracht. (..) Afrika daarentegen leek mij meer versnipperd, gedifferentieerd, geminiaturiseerd in zijn veelheid, en daardoor grijpbaarder, toegankelijker.'

Misschien dat ook de kwestie van de grenzen hier een rol speelt: het continent kende weliswaar van oudsher natuurlijke en tribale grenzen, maar de kaarsrechte nationale grenzen werden pas getrokken tijdens de “Scramble for Africa', eind negentiende eeuw. Afrika's grenzen waren minder “hard' dan die van bijvoorbeeld China, ze werden nog voortdurend betwist. In Afrika zijn ook de grenzen tussen mensen onderling vloeiender, er wordt je geen afstand toegestaan, is er eten dan zul je eten, is er feest dan zul je dansen. Afzijdigheid is onmogelijk, meedoen zul je, wat sta je daar aan de kant! Kom, dans, drink, praat en lach met ons!

De schrijver heeft zijn werkterrein ontdekt. Het andere deel van Reizen met Herodotos wordt gevormd door de Historiën. Hij heeft verteld hoe dat boek in zijn bezit kwam, hoe het vanaf dat moment overal met hem zal meereizen. De Historiën, die geschiedschrijving uit de vijfde eeuw voor Christus, vervlechten zich met Kapuscinski's eigen reizen en oorlogen, meest op Afrikaans terrein. De Pool uit de twintigste eeuw herkent een geestverwant in een Griek van 2500 jaar geleden. Omdat er maar zo weinig bekend is over Herodotos kan hij hem naar believen inkleuren. Hij noemt hem de eerste globalist, een rasreporter, bezeten van vragen, en ontwikkelt zelfs gevoelens van vriendschap voor zijn voorganger die de wereld wilde beschrijven vanuit de kernvraag: waarom voert de mens oorlog?

Kapuscinski hervertelt grote delen uit de Historiën, met name de Perzische en Perzisch-Griekse oorlogen geeft hij volop de ruimte. “Zoals ik vroeger verlangde naar het overschrijden van een grens in de ruimte, zo raakte ik nu gefascineerd door het overschrijden van een grens in de tijd.' Deze grenspassage gaat hem gemakkelijker af dan die daarvoor: “Het verleden bestond in het heden, beide tijden verenigden zich en vormden een onafgebroken stroom van geschiedenis.' Verderop grijpt de geschiedenis hem zelfs sterker aan dan het heden. “Ik was meer aangedaan door de vernietiging van Athene dan door de laatste militaire coup in Soedan, de ondergang van de Perzische vloot vond ik tragischer dan het zoveelste legeroproer in Kongo.'

Kapuscinski is de gedroomde leraar Klassieke Talen, je wilt met hem rond een vuur zitten terwijl hij vertelt hoe Xerxes de Hellespont geselt en waarom de Athener Sofanes in de slag met de Perzen een ijzeren anker aan zijn koppel bevestigt. Voor de verteller zelf groeien de eeuwen naar elkaar toe wanneer hij, na een dag van etnisch geweld en logistieke moeilijkheden, Herodotos leest op zijn veranda, maar voor ons, lezers van zijn boek, geldt dat niet. Hij weet bijvoorbeeld de oorlogen van Darius alleen met doorzichtige kunstgrepen te verbinden aan zijn ervaringen in Kongo en Teheran: “Omdat ik nog een poosje bij Darius wil blijven, doe ik de volgorde van mijn reizen geweld aan en verkas ik opeens vanuit Kongo anno 1960 naar Iran 1979' Even later gevolgd door: “Ik ben uit Persepolis vertrokken en nu verlaat ik Teheran om terug te keren naar Afrika (van twintig jaar geleden).'

De oeverloze hervertellingen aan de ene kant en zijn eigen reiservaringen aan de andere, maken Reizen met Herodotos een boek dat uit twee boeken bestaat, die niet in elkaar overvloeien maar vaak haaks op elkaar staan. Kijk, lijkt Kapuscinski te zeggen, hoe begeerte, broedermoord, tragedie de eeuwen aan elkaar verbinden! Hoe de val van Ben Bella in 1965 lijkt op de Perzische paleisrevoluties lang voor Christus! Wat zo mag zijn, maar een opsomming van zulke parallellen maakt nog geen betekenis, zorgt nog niet voor een hecht verhaalweefsel.

Paradoxaal genoeg overschrijdt Kapuscinski naar eigen zeggen juist de grens in de tijd het gemakkelijkst van allemaal, maar wij blijven aan de andere kant achter en wachten tot hij terugkeert om over zijn eigen reizen te vertellen, of waarom hij de Historiën over de hele wereld met zich meesleept. Wanneer hij zijn bewondering voor Herodotos probeert te verklaren, komen zijn eigen obsessies goed aan het licht. “Zijn primaire activiteit was dus de reis. Maar geldt dat niet voor alle reporters? Dat onze eerste gedachte naar het reizen uitgaat? De route is een bron, schatkamer, rijkdom.' Beweging brengt leven, stilstand is de dood. “Inderdaad, het boek van Herodotos ontstond vanuit de reizen, het is de allereerste reportage in de wereldliteratuur.' Maar dat is geen autonome wens die zomaar ontstaat op een dag, ze voert terug naar de tijd dat je je eerste vragen stelt, namelijk waarom de dingen zijn zoals ze zijn en wat zich buiten je gezichtsveld afspeelt. “Herodotos onderneemt zijn reizen met als doel het antwoord te vinden op de vraag van een kind: waar komen de schepen vandaan die je aan de horizon ziet? Waaruit komen ze te voorschijn? Waarvandaan zijn ze vertrokken? Dus hetgeen we met onze ogen zien is niet het einde van de wereld? Zijn er nog andere werelden? Welke?'

Begin je eenmaal met die ene vraag, dan is er geen houden meer aan. Het is de Magische Vraag, zonder welke de wereld gesloten blijft. In middeleeuwse legendes over de queeste naar de Heilige Graal, kan de Magische Vraag alleen worden gesteld door een eenvoudige ziel, iemand als Parsifal, de Ronde-Tafelridder die de Graalburcht bij toeval vindt. Hij ziet daar de ernstig gewonde Visserkoning liggen op een bed, ziet hoe een bloedende lans en een lichtende schaal worden rondgedragen, maar verzuimt te vragen naar de betekenis van dit alles. De volgende ochtend is hij alleen, de burcht verdwijnt, Parsifal moet opnieuw jaren dwalen voor hij hem zal terugvinden en de Magische Vraag kan stellen die de Visserkoning zal genezen en zijn land voorspoed brengt.

De vragensteller moet goedhartig zijn, op het onnozele af, want een cynicus of een Thomas zou geen geloof hechten aan het antwoord. Kapuscinski: “Want alleen kinderen stellen belangrijke vragen en willen werkelijk iets te weten komen.' De vraag is het Sesam-Open-U van de reporter: hij zal haar stellen met de onbevangenheid van een kind en begrijpen met de ervaring van de reiziger.

Ryszard Kapuscinski: Reizen met Herodotus. Vertaald door Ewa van den Bergen-Makala. De Arbeiderspers, 264 blz. euro 18,95

Begin maart verschijnen bij uitgeverij De Bezige Bij de verzamelde reisverhalen van Tommy Wieringa, “Ik was nooit in Isfahaan'.

Rectificatie / Gerectificeerd

In het biografische stukje bij het artikel over journalist-schrijver Ryszard Kapuscinski stond dat de “Voetbaloorlog' van 1969 werd uitgevochten tussen Honduras en Guatemala. Dit moet zijn: tussen Honduras en El Salvador.