Op naar de ratten!

Béla werd acht. Om dat te vieren gingen we naar Artis, met zijn vrienden en vriendinnen Maaike, Luca, Miriam, Lisa, Mohammed, Clyde en Dennis en zijn broer Ot.

Nederland, Amsterdam, 29-09-2002 Dierentuin, Zoo Artis. Olifant Murugan,met zijn 50jaar de oudste mannetjes olifant van Europa , ingeslapen. FOto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

In Artis kun je met je verjaardag een speurtocht doen en dieren voeren. Daar moet je vijf euro extra voor betalen. Bij de kassa van de dierentuin kreeg de jarige een grote emmer. Daar zat een groot brood in, en een stuk of tien winterwortels, een paar appels en een krop andijvie. We gingen op weg. Volgens het boekje van de speurtocht moesten we eerst naar de savanne, de zandbergen waar zebra's en axis-herten rondlopen. We mochten er de axis-herten voeren. Maar die waren in geen velden of wegen te bekennen. Er waren wel zebra's, maar die stonden aan de andere kant van een vijver te kleumen en we hadden geen zin om met stukken brood te gaan gooien.

Heel erg was dit niet. Want vlak bij de savanne is een heel mooie speeltuin. Na een half uur klimmen en klauteren gingen we naar de nijlpaarden. Die zitten in een groot, warm gebouw. We zagen een nijlpaard in een grote bak water. Hij lag met zijn kop onder water en liet daar de straal van een waterval op komen. We riepen hem, maar hij gaf geen sjoege. Béla ging met de krop andijvie zwaaien. Heel even kwam hij met zijn neusgaten en dikke, ronde ogen boven water. Béla gooide gauw een blad andijvie in het water. Maar langzaam zakte hij weer met zijn kop onder water zonder zich verder te verroeren. Hij had geen honger.

Dan maar naar de olifanten. Die zijn groot en moeten daarom zoveel eten, dat ze altijd wel wat lusten, dachten we. Maar de olifanten bleken in hun hok te staan. We gingen naar binnen. Daar stond achter een hek met dikke tralies een oppasser. Met een oudere man en een jongetje gaf ze een olifant een appel. Dat kwam goed uit. “Béla is jarig en we mogen ook de olifant voeren“, zeiden we. “Ik ben hier met familie en jullie mogen de olifanten niet voeren“, zei de oppasser streng.

Goed, dan niet. De guanaco's die we ook mochten voeren, waren vast ook hele leuke dieren. We gingen weer naar buiten. De guanaco's zijn schuwe dieren, lazen we op een bord. Dat klopte. De drie liggende guanaco's keken ons bangig aan. We boden ze wortels aan, maar ze vertrouwden ons niet en kwamen niet. Ze bleven nerveus. Ten slotte gooiden we maar een winterwortel. Verschrikt sprongen ze op en renden hard weg.

“Op naar de ratten“, riepen we enthousiast. “Ratten willen altijd eten.“ En ja hoor, de beverratten zaten lekker te knagen. Maar ze hadden zoveel wortels en appels in hun hok liggen, dat ze geen belangstelling hadden voor de onze. We gooiden nog een appel, maar ze keken niet op of om.

Nu bleef alleen nog de kinderboerderij over. We hadden nog een emmer vol voer. Toen we de grappige, schuine klaphekken waren gepasseerd, werd Béla met zijn emmer bestormd door een kudde geiten en schapen. Die hadden wel honger. Woest staken ze hun koppen in de emmer. Een geit beukte met zijn horens de emmer uit Béla's handen. Binnen een halve minuut waren alle appels, wortels, de krop andijvie en het brood verdwenen. Toen gingen we zelf maar patat eten.

    • Bernard Hulsman