Leuk ontwerp, maar niet hier graag

Bart Goldhoorn geldt in Rusland als een architectuurpaus. Dankzij zijn tijdschrift “Project Russia', een Gouden Gids voor de Russische bouwwereld. “Het woord Project is in Rusland een modewoord.“

Bart Goldhorn - Dutch architect in Moscow. For the article of Coen van Zwol for the Culture department. Photo by LIBERTY.SU Klimov, Oleg

Soms krijgt Bart Goldhoorn na een “nogal prekerig' hoofdredactioneel commentaar een schouderklopje van een met medailles behangen veteraan: goed geschreven manneke! Wanneer hij bijvoorbeeld klaagt dat alleen de elite in het nieuwe Rusland beter woont en gewone Russen schijnbaar voor eeuwig tot grauwe stapeldozen zijn veroordeeld. “Dan vinden ze hier dat ik antieke Sovjettaal uitkraam“, grinnikt Goldhoorn. “In Russische ogen zijn Nederlanders überhaupt een soort bolsjewieken die het communisme in praktijk hebben gebracht. Voor Russen was dat nooit veel meer dan theater.“

Tien jaar na de oprichting van Project Russia, het enige serieuze vakblad voor architecten in Rusland, is de Nederlander Bart Goldhoorn in Moskou een soort architectuurpaus. Voor zijn jubileumfeestje huurde de Nederlander eind vorige maand de beroemde chocoladefabriek “Rode Oktober' af, waar jonge designers en architecten tot diep in de nacht dansten. Eerder die avond kwamen ze hem feliciteren in het Tsjoetsjev architectuurmuseum, een feeëriek verlichte ruïne. Hoewel Goldhoorns speech ditmaal vervloog in het geroezemoes van de intelligentsia die aan de whisky van sponsor Chivas Regal nipte, ervaart Goldhoorn meestal dat Russen extra aandachtig luisteren als een westerling het woord neemt. Al blijft hij een buitenstaander. “Ik word niet voor jury's voor prijsvragen uitgenodigd.“

Zijn tijdschrift Project Russia is inmiddels het vlaggenschip van een ware projectenfamilie. Zo is er Project International om Russen op de hoogte te houden van buitenlandse ontwikkelingen en Project Classica voor klassieke architectuur. “Dat wordt in Nederland weggewuifd als populistisch en smakeloos“, zegt Goldhoorn. “Maar hier werkt men er bloedserieus aan.“ Ook zijn er regionale zusterbladen - Project Baikal, Project Siberië, Project Wolga - die meeliften op de naamsbekendheid van zijn blad. Goldhoorn: “Het woord “Project' is in Rusland een modewoord. Daar ben ik best trots op.“

Toen Goldhoorn in 1995 zijn eerste nummer presenteerde, was dat bijna ontwikkelingshulp. Rusland klom uit een dal van schaarste, verval en intellectueel isolement. Goldhoorn: “Bijna niemand wist wat er in de wereld te koop was, figuurlijk én letterlijk. Zo was er op de redactie een raampje kapot, maar glas bleek alleen per treinwagon verkrijgbaar. Dus haalden we een ingelijste foto van de muur en sneden een raampje uit het glas.“ Goede architectuur is onmogelijk zonder een keuze uit bouwmateriaal, daarom bevatte Project Russia aanvankelijk een soort Gouden Gids voor de bouwwereld.

Bouwmateriaal is nu geen probleem meer, en Project Russia blijkt een duurzaam succes. Elk nummer kent een thema: Stalin-barok, hout, elitebouw, musea, nieuwe hoofdsteden die Centraal-Aziatische despoten uit woestijn en steppen stampen. Goldhoorns persoonlijke favoriet is het nummer “Cosmos', over de kosmologische fantasie van de vroege Russische avant-garde tot Igor Kozlov, die maansteden en interieurs voor ruimtestations ontwierp. Goldhoorn: “In Nederland verschijnt over elke scheet van een architect een boek, hier zijn sinds 1990 misschien tien boeken over architectuur gepubliceerd. Daarom heeft Project Russia een heel belangrijke functie, het is zo ongeveer het enige medium dat de historische en actuele ontwikkelingen blootlegt.“

Kannibalisme

Toch klinkt Goldhoorn na tien jaar pendelen tussen Moskou en Amsterdam als een missionaris die de hoop heeft opgegeven zijn inboorlingen het kannibalisme nog af te leren en ze nu met geamuseerde ironie gadeslaat. In de Russische architectuur is de afgelopen tien jaar te weinig ten goede veranderd, de speelruimte van de architect blijft beperkt. Goldhoorn: “Rij ik in Nederland langs een gewoon bedrijvenpark, zeg maar in Almere, dan zie ik gebouwen die hier in Rusland een sensatie zouden zijn, voorpaginanieuws. Dat is soms behoorlijk frustrerend.“

Niettemin jubelt Goldhoorn in zijn jubileumnummer dat Rusland in tien jaar tijd een eeuw isolement van zich afschudde en aansluiting vond bij de internationale mainstream. Over vijf jaar bevindt het zich wellicht zelfs in de avant-garde, voorspelt hij. Is dat peptalk?

Goldhoorn: “Ik vind het fascinerend dat zich hier in vijftien jaar processen afspelen die in Nederland veertig jaar duurden. Zo was het in Nederland in de jaren zeventig mode om de stad te ontvluchten. Meteen na de val van het communisme, rond 1990, gebeurde in Rusland hetzelfde: wie het kon, vluchtte weg van dat afschuwelijke, stinkende Sovjetmonster. Mensen met geld lieten tot honderd kilometer buiten de stad kottedzji, villa's, bouwen. Liefst van rode baksteen, want dat was schaars in de Sovjettijd, dus prestigieus. Dat ging zonder architect en met bouwbedrijven die geen enkele ervaring hadden, dus werd dat een bakstenen Pompeï. Een paar jaar later ontdekte men dat men nu toch wel erg ver van de actie woonde, dat er geen wegen, riolering of faciliteiten waren. Dus trok dezelfde elite na 1995 massaal naar de binnenstad, wat we in Nederland vanaf de jaren tachtig zagen.“

Stilistisch gaat het ook snel. Begin jaren negentig beantwoordden Russische architecten de treurige Sovjetmonotonie met barok postmodernisme en historiserende architectuur. Goldhoorn: “Nu kijken zowel architecten als opdrachtgevers rond wat er in de wereld te halen is en groeit de vraag naar modernere ontwerpen. Design is in, de elite van nieuwe Russen is bereid daar grof geld voor te betalen. Zo is Rusland voor de Italiaanse meubelindustrie op dit moment een van de grootste afzetmarkten.“

Die hang naar modern design is nog niet terug te zien op straat. In Moskou, waar het grote geld zit, heerst de dubbeldictatuur van het “kapitalistisch realisme' en de smaak van burgemeester Loezjkov: mediterrane, in pasteltinten uitgevoerde cascades met veel zuilen en balkonnetjes, grimmige Stalin-barok, zoals het 182 meter hoge “Triomfpaleis'. Goldhoorn: “In Rusland heerst de tucht van de markt, net als in Amerika. Die biedt de nieuwe rijken Engelse landhuizen uit de catalogus en in het stadscentrum pseudo-klassieke architectuur. Dat vinden mensen mooi. De culturele elite heeft geen invloed, zoals in Nederland. Die staat los van de macht in een hoekje te mopperen.“

Zo verandert het centrum van Moskou langzamerhand in een Disneyland vol quasi-klassieke tempels, bronzen standbeelden, Zwitserse chalets en Duitse koopmanshuizen. Zolang het niet modern oogt, want daar houdt burgemeester Loezjkov niet van. Goldhoorn: “Projectontwikkelaars weten dat ze snel een bouwvergunning krijgen als hun project lijkt op oude architectuur. Soms krijgt de architect te horen: leuk ontwerp, maar niet hier graag. Hier rijdt de burgemeester namelijk elke ochtend langs, dan krijg ik klachten. Zo wordt de stadsplanning van Moskou deels bepaald door de rijroute van de burgemeester. Klassieke architectuur langs de weg, moderne architectuur daarachter verborgen. Er is weinig veranderd sinds Potjomkin.“

Toch nodigt Moskou nu buitenlandse coryfeeën uit, liggen er ambitieuze plannen voor Moscow City, een zakencentrum als het Parijse La Defence, vol trendy wolkenkrabbers.

“Veel projecten, maar de vraag is of ze ook gebouwd worden. Neem de Nederlandse architect Van Egeraat: wat hij ontwierp, wordt niet uitgevoerd of heel anders dan hij plande. De opdrachtgever kan zijn ontwerpen simpelweg niet realiseren. Zo moet je bij een gebouw van enige complexiteit soms alle partijen aan tafel zetten om een probleem door te spreken. Dit zijn de oplossingen, dit de argumenten, wat is het beste? Hier zit de directeur aan het hoofd van de tafel, die met de vuist op tafel slaat: omdat ik de baas ben, doen we het zo en niet anders. Zo kan je een modern, technisch complex gebouw gewoon niet realiseren. Iemand als Van Egeraat wil een gebouw dat klopt, dat goed in elkaar zit. Hier is het meer: we prutten het wel vol, als de buitenkant er maar zo'n beetje uitziet als op de tekening.“

In de buitenwijken van Moskou stampen de bouwfabrieken uit de Sovjettijd nog altijd kolossale “microrayons' (slaapsteden) uit de grond. Dwong Stalin de Russische architecten in een neoclassicistisch keurslijf, zijn opvolger Chroesjtsjov verklaarde de architectuur overbodig. Na de dood van Stalin in 1953 greep de nieuwe leider de opening van hotel Leningrad, de laatste Stalinistische suikertaart, aan om af te rekenen met verspillende ornamenten en decoratie. Chroesjtsjov geloofde dat alleen industrialisatie van de bouwindustrie de woningschaarste kon oplossen. Standaardisering en massaproductie van geprefabriceerde appartementen zouden het communisme naderbij brengen.

Goldhoorn: “De destalinisatie was een ramp voor Russische architecten, die hadden daarna helemaal niets meer te vertellen. Ze kregen een stedenbouwkundig plan dat ze konden volzetten met vijfduizend legoblokjes uit de catalogus van de bouwindustrie. Reken even uit hoeveel betonplaten en trappenhuizen we nodig hebben. Autoweg erdoor, een park erbij, oftewel een kilometers lange strook gelig gras waar je de auto parkeert en de hond uitlaat. En waarom elke school apart ontwerpen? Ziedaar onze standaardschool met hier aula en sportzaal en daar de lokalen. Die school vind je in elke stad van Kaliningrad tot Vladivostok.“

Nieuwe Lada

Sinds het Romeinse Rijk liet geen imperium zo'n uniform stedenbouwkundig stempel achter als de Sovjet-Unie. En het nieuwe Rusland zet de traditie gewoon voort. “Met de postcommunistische buitenwijken is het als met de nieuwe auto's van Lada. Daar zit nu een modern chassis op, maar de motor is even beroerd als altijd. Nu plakken ze een leuke façade tegen zo'n flat, maar bestaat het binnenwerk nog steeds uit diezelfde panelen van het type K4-10-b of iets dergelijks. De ontwerpers van die wijken vieren het als een triomf als de nieuwe appartementen een toilet met een wastafeltje krijgen. Of dat zo'n microrayon niet louter flats van 21 verdiepingen telt, maar ze mogen variëren met bouwhoogtes, zodat er een iets interessanter profiel ontstaat.“

Is het niet hopeloos een architectuurblad te publiceren in een land met zoveel lelijkheid, grauwheid en eenvormigheid?

“De kennis, de wil maar ook de overtuiging om er iets moois van te maken, dat ontbreekt hier inderdaad. Neem de Moskouse wijk Ostozjenka. Die kan zich qua prijs meten met de duurste wijken van Londen, New York en Parijs. Dan moet Moskou toch denken: dit gaan we kwaliteit geven. Elke Europese stad heeft mooie, rijke wijken die toeristen trekken. Maar in Ostozjenka zie je datzelfde pokdalige asfalt en diezelfde open vuilcontainers als overal. Ze vangen hun geld zo ook wel.

“Wel vind ik het fascinerend dat je hier de grote ideologische vraagstukken veel radicaler in de stad terugvindt dan elders. Europese landen werken met feedback en lange overlegprocessen, hier had je een dictatuur met een partijlijn die veel te lang consequent werd doorgezet. Dan komt er een tegenidee dat opeens de nieuwe partijlijn is, waarna alles ook radicaal omslaat. Alles dat fout loopt, ligt hier prachtig en dramatisch aan de oppervlakte.

“Communistische symbolen, de Leninbeelden, slogans en monumenten, zijn voor mij veel minder interessant dan wat het systeem aanrichtte in de architectuur en de stadsplanning. Dat er in heel Moskou geen individueel woonhuis te vinden was, dat bijna alle buitenruimte openbaar was, dat iedereen in dezelfde appartementen woonde. Die Sovjetgeschiedenis werpt over alles een schaduw. In Moskou wordt een tropisch zwemparadijs, Transvaal Aquapark, gebouwd. Dat dondert na twee jaar in elkaar, een ramp. Hoe kan dat gebeuren in een land met zoveel controlerende instanties, is hier dan de vraag. Simpel: omdat niemand gelooft in de regels, ze alleen gebruikt om zoveel mogelijk winst uit het systeem te slepen. Algemeen belang is geen argument. Dat komt omdat de staat vroeger het algemeen belang monopoliseerde. Omdat niemand geloofde in het communisme, gelooft niemand in algemeen belang. Alleen in macht. De macht heeft altijd gelijk.“

Goldhoorn hoeft niet ver te kijken om de “bizarre Russische blokkades en paradoxen' in steen uitgedrukt te zien. Naast zijn kantoor aan het Majakovskiplein versmalt een brede verkeersader zich abrupt tot een steegje. Goldhoorn: “Eén lullig huizenblokje blokkeert die hele weg, en dat vlak naast Mosprojekt, het voormalige centrum der planologie voor de hele Sovjet-Unie. Die kon dat ene gebouwtje dus gewoon niet wegtekenen. Waarschijnlijk zat er een belangrijk instituut in, waarvan de baas zijn hakken in het zand zette en “njet' bulderde. Dan hoor je dat de Sovjetstaat almachtig was, maar er waren blokkades die er weer een chaos van maakten.“

Of neem dat interessante driehoekige gebouw dat Goldhoorn in Zuidwest-Moskou aantrof. “Dan vraag je: wie is de architect, dit ziet er heel experimenteel uit. Wat blijkt: onder de grond ligt een wildgroei aan buizen, kabels en rioolpijpen, dat gebouw is keurig in het enige open driehoekje grond gevouwen dat overbleef. Hoe komt zoiets? Er moest een leiding van A naar B, dat ging dan via de kortste weg. Vijf jaar later was er weer een rioolpijp, hup, diagonaal erover heen. Er was toch geen eigendom van grond, niemand die zei: dat stukje kan ik nog best verkopen.“

Valt er ook iets aardigs te zeggen over de Russische stad?

“Het interessante is dat de Sovjetstad op een soepbord lijkt. In Amerika is het centrum hoog, want daar is de grond duur, en dan loopt het naar de rand toe af. In Rusland is dat omgekeerd: het centrum is laag, daarna wordt het steeds hoger. Eerst een ring met flatjes van vijf verdiepingen, daarna negen, twaalf, 21. Waarom? Door de ontwikkeling van de bouwtechniek. Hoe nieuwer, hoe hoger de flats, want nu hebben we panelen die we 21 verdiepingen kunnen stapelen. Zo krijg je aan de rand dus wijken met louter flats van 21 verdiepingen. Dat fungeert dan als een stadsmuur, daarna begint abrupt het platteland.

“Het aantrekkelijke van het Russische model is de tweede stad die daar omheen ligt: datsjaland. Stedelingen hebben daar hun buitenhuisje, van enorme bakstenen villa's tot houten kotjes. Een prachtig stedenbouwkundig model. De stad is geconcentreerd, daar heeft iedereen zijn flatje, winkels en efficiënt openbaar vervoer. En in het weekeind zitten ze dan als dorpelingen buiten in hun tuintje, slapen ze gezond in de frisse lucht. Voor Nederland een zinloos model, want je moet ruimte hebben, en een dictatuur die zoiets afdwingt. Maar vergelijk het met de Amerikaanse suburb, met zijn eindeloze gelijkvormigheid, iedereen zijn eigen tuintje en zwembad, twee uur in de file naar het werk. Dan vind ik het Russische model gewoon veel beter.“