Inspiratie van de kansel

Onder de noemer “De Nederlandse Impressionisten' treden op Noorderslag in Groningen oerhollandse popgroepen op. “Dit is wie we zijn, en dat laten we zien.“

23-03-05 SPINVIS t.a.v. CS FOTO LEX VAN ROSSEN ROSSEN, LEX VAN

Er waait een briesje door het Nederlandse poplandschap. Bescheiden, maar eigenzinnig blazen groepen als De Kift, Spinvis, Meindert Talma, At The Close Of Every Day hun partijen. Meestal in het Nederlands of in een variant van de moedertaal. Wat ze gemeen hebben, is dat ze niet klakkeloos achter het Anglo-Amerikaanse rolmodel aanlopen, maar eerder uitgaan van hun eigen identiteit. Als bewoners van het Nederlandse polderlandschap.

D'r Sjaak laat een sappig Limburgs accent los op semi-primitieve electrobeats. Meindert Talma geneert zich niet voor zijn gereformeerde achtergrond, geeft Nederlandse zinnen zijn eigen ritme mee en laat zelfs de lessen van Bach toe in zijn orgelspel. Spinvis schildert alledaagse tafereeltjes in onalledaagse bewoordingen, op organische, ademende sample-collages. André Manuel, die op de laatste plaat van zijn vroegere groep Krang in het Twents zong, is ook cabaretier. At The Close Of Every Day (“dagsluiting') maakte een cd die eruit ziet als een protestants liedboek.

Een aantal van die groepen speelt morgenavond op het Noorderslag Festival in Groningen. Zij treden daar aan onder de noemer “De Nederlandse Impressionisten', een vlag die bedacht is door Ferry Roseboom, de oprichter van het platenlabel Excelsior dat Spinvis en Talma uitbrengt. “Ik wil echt de laatste zijn om een nieuwe stroming in het leven te roepen“, zegt hij, “maar ik zie wel een groep artiesten die zich in dezelfde traditie beweegt. Ze hebben allemaal een eigen toon, eigen manieren. Ze staan met beide benen op de grond, het is niet al te hoogdravend allemaal, niet per se himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt. Ze zingen zoals het gedrukt staat.“

Roseboom mag de naam bedacht hebben, het idee voor zo'n avond leeft al jaren bij Jan Pier Brands. Hij is voormalig directeur van Noorderslag, teamleider van de Leeuwarder Academie voor Popcultuur én drummer bij Meindert Talma & The Negroes. Drie jaar geleden liep Brands al rond met plannen om zulke verwante groepen bij Noorderslag te presenteren. “Maar toen was er nog geen Spinvis. Zijn succes, hoe betrekkelijk ook vergeleken met Van Dik Hout en Acda en De Munnik, trekt het allemaal behoorlijk omhoog. Nederlandse popmuziek is verder heel erg gebaseerd op Angelsaksische voorbeelden, het komt vaak neer op imitatie. De tijd is nu rijp voor artiesten die zich niet voor hun afkomst schamen, die dat zelfs gebruiken als uitgangspunt van hun expressie.

Waarschijnlijk zijn zulke artiesten er altijd al geweest, zegt Brands. “De Kift, met zijn wortels in de fanfare-traditie, is al vijftien jaar bezig, met Meindert Talma zijn we al tien jaar aan de gang. En in de jaren tachtig had je al Lul, Kiem, De Div en, niet te vergeten, The Nits. Dat het nu meer als een beweging voelt, komt toch door de taal. Bij de urban culture zie je die beweging ook. Het is opmerkelijk dat het gebruik van het Nederlands daar veel vanzelfsprekender is dan in de rockwereld. De muziek is misschien nog niet zo eigen, maar dat komt nog wel.“

Brands ziet het terug bij zijn studenten aan de Academie voor Popcultuur. “Daar zijn ook mensen bezig met het Nederlands, en laatst hadden we een aspirant-student die in Spinvis en Herman van Veen zijn inspiratie vindt.“ Brands ziet deze ontwikkeling als een reactie op de globalisering: “Dan grijp je weer terug op wat je kent, je familie, je streek. Als tegenwicht.“

Het heeft ook te maken met de armoe in de rock'n'roll, meent Erik de Jong, alias Spinvis. “Dat is wel erg mainstream geworden, hè. Ingepikt door reclamebureaus. Dan gaan mensen iets anders zoeken, iets dat nog wel authentiek is.“ Hij herkent het een en ander in het nieuwe golfje dat zich af en toe als een heuse scene manifesteert: Spinvis toerde met Talma en speelde mee op de laatste cd van At The Close Of Every Day. “Bij mensen als Meindert Talma, Leon Giesen, Stuurbaard Bakkebaard zie ik absoluut een soort humor, een zekere lichtheid van toon. Het is niet geloofwaardig als je jezelf de hele tijd kwaad loopt te maken, zoals een echte hiphopper.“

Met kleinkunst heeft die geestesgesteldheid niets te maken, vindt Spinvis. “Dat is zo anders, dat gaat specifiek over dingen die met naam en toenaam worden genoemd. Er zijn cabaretrecensenten die gaan verzinnen waar een lied van mij over gaat en dat dan niet mooi vinden. Ja jemig, hoe moet je je daar nou tegen verdedigen? Je moet niet alles willen uitleggen, dat is juist het mooie.“ Toch wil hij de invloed van de kleinkunsttraditie niet uitvlakken. “Ik ben ook gepokt en gemazeld in de Nederlandse liedjestraditie. Van kinds af aan hoor je Annie M.G. Schmidt, dat is niet uit je systeem te krijgen. Daar moet je je ook niet tegen willen verzetten, want dan krijg je anti-muziek.“

Afzetten

Je ergens tegen afzetten is niet aan de orde bij deze groep muzikanten. Ook niet tegen het calvinisme, dat een generatie eerder nog een forse steen des aanstoots was voor menige naar vrijheid snakkende jongeling. Spinvis, opgegroeid in een PSP-nest, kan zich weinig voorstellen bij de knellende banden van het calvinistisch geloof. Maar dat de tijd van het verzet daartegen voorbij is, weet hij ook. “Vluchten in een bohémien-achtig bestaan helpt niet. Hoe meer je je ertegen verzet, hoe meer het je gevangenis wordt.“

Meindert Talma komt uit een gereformeerd nest. Zijn eigenlijke instrument is het orgel, dat hij leerde bespelen van de plaatselijke kerkorganist. “De baspatronen van Bach hebben aardig invloed gehad op mijn muziek“, zegt hij. In de kerk maakte hij ook kennis met modernere klanken. “Toen ik een jaar of acht, negen was, had je de Shalom Singers, die een keer per maand in de kerk optraden. Hun drummer speelde ook in Children Of Jubal, destijds een roemruchte psychedelische rockgroep in die buurt. De Shalom Singers zongen liedjes van Bob Dylan en Johnny Cash, met stichtelijke teksten. Dat maakte diepe indruk op mij.“

De geluiden van weleer, de laatste cd van het duo At The Close Of Every Day, is al helemaal een vrucht van een calvinistische achtergrond. De plaat is oogstrelend verpakt als een christelijk liedboek. Voor de uitgave zocht het duo contact met het Boekencentrum, dat ook het echte Liedboek voor de Kerken uitgeeft. “Het moest er echt uitzien, niet als een kopie“, zegt Minco Eggersman. Het is een plaat over “vroeger', over zijn jeugd die zich deels in het Drentse dorpje Uffelte afspeelde, over zijn geloof. De teksten zijn in een archaïsch soort Nederlands gesteld. “De Statenbijbel, oude dichtbundels. Dat soort taal vond ik mooi bij dit onderwerp passen.“

Calvinisme is iets vanzelfsprekends voor At The Close Of Every Day, van wie wel gezegd wordt dat ze voor het eten nog bidden. “Lang niet altijd, hoor“, zegt Eggersman. “Maar ik geloof wel in God, ja. Dat Meindert ook zo'n achtergrond heeft, wist ik niet, maar nu je het zegt, herken ik wel dingen bij hem. Spinvis heeft een andere achtergrond, maar dat belet ons niet om met hem samen te werken. Hoezeer dat sommigen misschien ook verbaast.“

Steenkolen-Engels

Het gebruik van de moedertaal is niet allesbepalend voor dit golfje, vindt Jan Pier Brands: het veeltalige, maar nu juist niet in het Nederlands zingende Stuurbaard Bakkebaard hoort er volgens hem net zo bij als de Engelstalige groep Whipster (“dat is typisch Groninger muziek“) en het Fries-Amsterdamse duo Zea (“dat steenkolen-Engels is heel eigen“). Maar de taal is wel een middel om dichtbij de eigen achtergrond te blijven, reden waarom André Manuel in de laatste fase van zijn groep Krang zelfs in het Twents ging zingen. “In het Engels voel ik me net een acteur“, zegt Spinvis. “Het Nederlands is de taal waarin ik boodschappen doe, de liefde verklaar en dus ook wil zingen. Alleen is het Nederlands niet zo'n handige taal.“

Daar heeft Meindert Talma iets op gevonden. Hij husselt de klemtonen door elkaar, waardoor de zinsmelodie meer wegheeft van die van het Engels. “Ik heb mijn eigen ritmische constructies gemaakt. Je moet 't naar je hand zetten, anders is het een vervelende taal om in te zingen. Het Fries is makkelijker, met zijn zangerige klanken. Het probleem met zulke talen is wel dat de nadruk altijd zo op de tekst komt te liggen.“ Om dat voor te zijn heeft hij zowel een Engelstalig als een instrumentaal project in voorbereiding.

Het EO-radioprogramma De muzikale fruitmand, de piratenzenders die in de Friese Wouden nog altijd volop actief zijn, de kerk, de sterke verhalen die in die streek worden verteld: het is allemaal terug te horen in de muziek van Meindert Talma. “Bij Spinvis kun je horen dat hij in Nieuwegein woont“, zegt hij, “bij André Manuel hoor je Twente en bij De Kift de geschiedenis van de Zaanstreek. Je gebruikt allemaal je eigen achtergrond.“

Wat deze groepen ook gemeen hebben, is een “kleine' aanpak. De Dijk, Bløf, Kane en Anouk kiezen eerder voor het grote gebaar, maar bij de Impressionisten ieder woordje en nootje. “We bezingen wel grote onderwerpen“, zegt Eggersman, “maar we hebben de neiging om die klein te maken. We maken ze begrijpelijk door kleine metaforen te gebruiken. Soms leidt dat tot kromme zinnen, maar daardoor snappen mensen het nog altijd beter dan met moeilijke constructies, vol bijzinnen en zo. Dat is bij de muziek ook zo, geen overgeproduceerde platen, maar leuke, simpele dingetjes.“

Jan Pier Brands: “Ik lees net Mystery Train, waarin Greil Marcus schrijft over The Band. Dat gaat over niet weglopen voor wie je bent, over getuigen van je achtergrond. Dat is hier ook aan de orde. We ridiculiseren hem niet, we omarmen hem niet, we verzetten ons er niet tegen. We doen dit omdat we niet anders kunnen. Dit is wie we zijn, en dat laten we zien.“

“De Nederlandse Impressionisten': Noorderslag Festival, 14/1. Later in het jaar volgt een tournee door het land. www.iprecom.nl/noorderslag

    • Jacob Haagsma