Huiveren in de bossen

De jaren zeventig waren niet voor iedereen een lolletje, maar in Black Hole, de langverwachte graphic novel van cultauteur Charles Burns die zich in die periode afspeelt, is het dagelijkse leven een nachtmerrie. Jongeren in een dorpje “ergens in Amerika' worden geplaagd door een gruwelijke, besmettelijke ziekte. Tieners die de ziekte via seksueel contact oplopen, krijgen last van verminkingen. Bij de een is de schade beperkt tot een tweede mondje op de adamsappel , een ander ziet er zo monstrueus uit dat er niets anders op zit dan te vluchten naar de bossen.

Daar schuilen meer gemuteerde tieners, beschaamd voor hun uiterlijk.'s Avonds zitten ze bij het kampvuur te piekeren over hun ellende. Maar er is meer aan de hand in de donkere bossen. Er wordt een afgehakte arm gevonden en er verdwijnen mensen. Zou er ook nog een seriemoordenaar rondlopen?

Je wordt het verhaal van de “teenplague' ingezogen via twee hoofdpersonages: Chris en Keith. Chris wordt na een feestje besmet door Rob. Na de ontdekking van een grote scheur in de huid op haar rug is de tocht naar de bossen haar enige optie. Keith dwaalt daar regelmatig rond, om met zijn vrienden wiet te roken . Bij hun huisdealer hangt een mysterieuze vrouw rond; ze heeft reusachtige pupillen van de lsd en haar kamer hangt vol sinistere schilderijen. Ze kwispelt met een klein staartje. Voor Keith is dat geen belemmering, hij wordt er juist opgewonden van en een paar dagen nadat ze met elkaar naar bed zijn geweest, krijgt hij overal rare bulten.

Het verhaal is in het geval van Black Hole echter, hoe vreemd het ook klinkt, bijzaak. Niet voor niets wordt Burns' vertelstijl vaak vergeleken met die van David Lynch. De entree van Eliza in het verhaal (het meisje met staartje) lijkt op die van Dorothy Vallens in de nachtclub in Blue Velvet. En er zijn meer parallellen: het duister waardoor veel verborgen blijft; de vreemde logica waarin de gebeurtenissen zich afspelen; de argeloze mensen die een perverse, zieke wereld ontdekken; en de symbolische beelden, met een soms onduidelijke functie.

Er gebeuren in Black Hole dus vreselijke dingen, maar de slachtoffers nemen het stoïcijns op. Alsof ze denken dat het met een sisser afloopt. Het merkwaardigste is dat niemand aan een arts vraagt wat er nou aan de hand is. En waar blijven de tv-ploegen? Een agressieve, onbekende ziekte maakt veel slachtoffers, maar mensen op school en in het dorp doen alsof er niets aan de hand is. De vlucht naar de bossen (als naar een leprakolonie) maakt dat de gezonde mensen zorgeloos voortleven. Ze zien het niet, dus bestaat het niet.

Burns begon aan Black Hole toen aids zich steeds heviger manifesteerde. De tekenaar geeft in interviews ook toe dat die ontwikkeling hem destijds op het spoor zette. Black Hole is een onuitputtelijke bron voor interpretaties (de titel, de ziekte, de rol van de droomwereld die vaak terugkomt, de sterren waar de jongeren in de bossen steeds naar staren).

Maar net zoals bij David Lynch is het de vormgeving die dit boek tot een instant stripklassieker maakt. Charles Burns is al jarenlang een veelgevraagd illustrator door zijn duidelijke zwart-witstijl. Met een soepele penseel laat hij de pagina's druipen van de zwarte inkt. Het zijn vooral de vreemde, haaientandachtige arceringen die een tekening van Burns herkenbaar maken. De overwegend zwarte pagina's met spierwitte personages, die subtiele gezichtsuitdrukkingen kregen, maken dat je er voortdurend van bewust in een horrorverhaal te zijn beland. Zelden vielen vorm en inhoud van een stripboek, of graphic novel, want daar is Black Hole een schoolvoorbeeld van, zo perfect samen.

Charles Burns: Black Hole. Pantheon, 368 blz, euro 26,95

    • Gerard Zeegers